ECLI:NL:CRVB:2007:BA5341

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2027 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 75a WAOArt. 75 WAOArt. 26 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Mededeling betalingsverplichting eigen risicodrager UWV is een besluit

De zaak betreft een hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem over de toerekening van een WAO-uitkering aan een werkgever die eigen risicodrager is geworden per 1 juli 2004. Het UWV had aan de werkgever medegedeeld dat zij verantwoordelijk is voor de betaling van de WAO-uitkering van een (ex)werknemer gedurende vijf jaar, en vorderde terugbetaling van reeds doorbetaalde uitkeringen.

De rechtbank had geoordeeld dat deze mededeling geen besluit was in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waardoor bezwaar en beroep niet ontvankelijk waren. De Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel en stelt dat de mededeling wel een besluit is, omdat het een betalingsverplichting oplegt op grond van artikel 75a van de WAO.

De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak waarin dit standpunt is bevestigd en benadrukt dat tegen een dergelijk besluit bezwaar en beroep mogelijk zijn. De zaak wordt daarom terugverwezen naar de rechtbank Haarlem voor verdere behandeling. Een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.

De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 april 2007.

Uitkomst: De mededeling van het UWV aan de eigen risicodrager over de betalingsverplichting is een besluit en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Uitspraak

06/2027 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 maart 2006, 05/469 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 26 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 1 maart 2007, waar partijen, betrokkene met voorafgaand schriftelijk bericht, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.
Bij brief van 9 september 2004 heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat zij, gezien het feit dat zij per 1 juli 2004 eigen risicodraagster is geworden, op grond van artikel 75a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vanaf deze datum gedurende 5 jaar zorg dient te dragen voor de betaling van de WAO-uitkering van haar (ex)werknemer. De door appellant over de maanden juli, augustus en september 2004 nog doorbetaalde WAO-uitkering aan deze (ex)werknemer wordt van betrokkene teruggevorderd. Bij besluit van 3 januari 2005 zijn de bezwaren daartegen ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het door betrokkene tegen het besluit van 3 januari 2005 ingestelde beroep voor zover gericht tegen de mededeling betreffende de toerekening van de WAO-uitkering van de (ex)werknemer aan betrokkene gegrond verklaard, het besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft. De rechtbank heeft daarbij, voorzover hier van belang, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 november 2004 (LJN: AR5915) overwogen dat de mededeling betreffende de toerekening van de WAO-uitkering van de (ex)werknemer aan betrokkene als werkgever in dit geval geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met deze mededeling informeert appellant betrokkene immers alleen over de direct uit de wet voorvloeiende gevolgen van het eigen risicodragerschap na de toekenning van de WAO-uitkering aan een (ex)werknemer van haar, zodat appellant het bezwaar van betrokkene op dit onderdeel niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
De door appellant tegen dit oordeel gerichte grond slaagt. Hiervoor verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 10 oktober 2006, gepubliceerd in RSV 2006/353 en USZ 2006/330. Zoals blijkt uit deze uitspraak is de Raad - anders dan in zijn uitspraak van 11 november 2006 - thans van oordeel dat een mededeling, zoals gedaan in de brief van 9 september 2004, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, strekkende tot het opleggen van een betalingsverplichting. Het feit dat de in artikel 75a, vierde lid, eerste volzin van de WAO vervatte betalingsverplichting voortvloeit uit de wet, nadat is vastgesteld dat aan de in artikel 75, eerste tot en met derde lid, gestelde voorwaarden is voldaan, maakt dit, gegeven de in die leden vervatte beslismomenten, ook al hebben deze in de regel een beperkte strekking, niet anders, Tegen een dergelijk besluit kan dan ook bezwaar en beroep worden ingesteld. De aangevallen uitspraak kan derhalve voor zover het ziet op het oordeel van de rechtbank dat de mededeling geen besluit is niet in stand blijven.
De Raad acht termen aanwezig om het geding voorzover het beroep ziet op de mededeling betreffende de toerekening van de WAO-uitkering van de (ex)werknemer aan betrokkene met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet ter afdoening terug te wijzen naar de rechtbank.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre deze ziet op het beroep betreffende de mededeling over de toerekening van de WAO-uitkering van de (ex)werknemer aan betrokkene;
Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Haarlem.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen - Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 april 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
EK1704