ECLI:NL:CRVB:2007:BA5335

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2580 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 75a WAOArt. 26 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Mededeling UWV aan eigen risicodrager inzake betalingsverplichting is een besluit

In deze zaak gaat het om de vraag of een mededeling van het UWV aan een werkgever die eigen risicodrager is geworden, betreffende de betalingsverplichting van een WAO-uitkering, als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden aangemerkt.

De appellant, het UWV, had aan betrokkene medegedeeld dat deze vanaf 1 juli 2004 verantwoordelijk is voor de betaling van een WAO-uitkering aan een ex-werkneemster. De rechtbank Maastricht oordeelde eerder dat deze mededeling geen besluit was, omdat het slechts informatie bevatte over de uit de wet voortvloeiende gevolgen zonder zelfstandige betekenis.

De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat deze mededeling wel een besluit is, omdat het strekt tot het opleggen van een betalingsverplichting. Dit betekent dat tegen deze mededeling bezwaar en beroep kunnen worden ingesteld. De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor verdere behandeling. Een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.

Uitkomst: De mededeling van het UWV aan de eigen risicodrager is een besluit en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Uitspraak

06/2580 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 april 2006, 05/2597 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene], gevestigd te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 26 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 1 maart 2007, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij brief van 28 januari 2005 heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat zij, gezien het feit dat zij per 1 juli 2004 eigen risicodrager is geworden, op grond van artikel 75a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vanaf deze datum zorg dient te dragen voor de betaling van de WAO-uitkering, welke met ingang van 4 december 2001 is toegekend aan de (ex)werkneemster [naam ex-werkneemster] zolang deze uitkering nog geen 5 jaar heeft geduurd. Deze uitkering bedraagt per 1 juli 2004 € 33,12 bruto per uitkeringsdag. Bij besluit van 28 oktober 2005 heeft appellant de bezwaren hiertegen ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank -met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht -het door betrokkene tegen het besluit van 28 oktober 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft daarbij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 november 2004 (USZ 2005/31), overwogen dat de brief van 28 januari 2005 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De brief bevat slechts informatie over de direct uit de wet voortvloeiende gevolgen van het eigen risicodragerschap na toekenning van een WAO-uitkering aan de (ex)werkneemster, en mist derhalve zelfstandige betekenis.
De door appellant tegen dit oordeel gerichte grond slaagt. Hiervoor verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 10 oktober 2006, gepubliceerd in RSV 2006/353 en USZ 2006/330. Zoals blijkt uit deze uitspraak is de Raad - anders dan in zijn uitspraak van 11 november 2004 - thans van oordeel dat een mededeling, zoals gedaan in de brief van 28 januari 2005, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, strekkende tot het opleggen van een betalingsverplichting. Het feit dat de in artikel 75a, vierde lid, eerste volzin, van de WAO vervatte betalingsverplichting voortvloeit uit de wet, nadat is vastgesteld dat aan de in artikel 75a, eerste tot en met derde lid, gestelde voorwaarden is voldaan, maakt dit, gegeven de in die leden vervatte beslismomenten, ook al hebben deze in de regel een beperkte strekking, niet anders. Tegen een dergelijk besluit kan dan ook bezwaar en beroep worden ingesteld. De aangevallen uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.
De Raad acht termen aanwezig om het geding met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet ter afdoening terug te wijzen naar de rechtbank.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Maastricht.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen - Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 april 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
EK1704