ECLI:NL:CRVB:2007:BA5320

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5635 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 sociale werknemersverzekeringswettenArt. 13, eerste lid, Coördinatiewet sociale verzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verzekeringsplicht en premieplicht meewerkende partner in privaatrechtelijke dienstbetrekking

In deze zaak staat centraal of betrokkene in de periode van 6 juli 2001 tot 2004 arbeid heeft verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking voor appellante, en daarmee verzekeringsplichtig is voor sociale premies over 2001 tot en met 2003. Betrokkene werkte als verkoopster op de markt voor haar schoonvader, waarbij zij circa 12 uur per week tegen betaling van f 150,-- per week arbeid verrichtte.

De rechtbank had reeds geoordeeld dat er sprake was van een dienstbetrekking onder gezag van de schoonvader, en dat loon was betaald dat niet marginaal was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat betrokkene niet meer onder gezag werkte en slechts voor het contact met klanten en gezelligheid naar de markt ging, en dat zij alleen betaling van haar echtgenoot ontving. Tevens werd aangevoerd dat het Uwv te laat een standpunt innam, wat in strijd zou zijn met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel.

De Raad oordeelt dat betrokkene feitelijk ononderbroken werkzaamheden verrichtte onder gezag van haar schoonvader, tegen een door hem betaalde vergoeding, en dat dit niet als een vrijblijvende vriendendienst kan worden gezien. De verlate besluitvorming door het Uwv is volgens de Raad acceptabel binnen de wettelijke verjaringstermijn en schendt geen vertrouwens- of zorgvuldigheidsbeginsel. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verzekeringsplicht en premieplicht worden bevestigd.

Uitspraak

06/5635 ALGEM
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 16 augustus 2006, 05/1913 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mw. mr. G. Kleefstra, juridisch medewerkster bij Accon AVM te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 1 maart 2007. Partijen zijn daar, na schriftelijk bericht vooraf, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
In dit geding gaat het om het antwoord op de vraag of [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) in het tijdvak van 6 juli 2001 tot 2004 voor appellante arbeid in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft verricht en zij om die reden in de zin van artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten verzekeringsplichtig dient te worden geacht met een daaraan verbonden verschuldigdheid van sociale premies over de jaren 2001 tot en met 2003.
[betrokkene] hield zich met haar echtgenoot in de desbetreffende periode ten behoeve van haar schoonvader [naam schoonvader] als vennoot van appellante zo’n 12 uur per week tegen betaling van f 150,-- per week bezig met werk als verkoopster in een kraam op de markt teneinde poelierprodukten aan de man te brengen. Zij had als zodanig eerder volledig in verzekeringsplichtige arbeid voor haar schoonvader gewerkt
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in overeenstemming met de strekking van het na bezwaar genomen genomen besluit van het Uwv van 19 september 2005, aangenomen dat er namens appellante als werkgeefster door haar schoonvader aan [betrokkene] loon is uitbetaald voor door haar op persoonlijke titel onder gezag verrichte arbeid welke niet van te marginale betekenis kan worden geacht om een arbeidsovereenkomst aan te nemen.
In hoger beroep heeft appellante doen betogen dat [betrokkene] weliswaar eerder voor haar schoonvader heeft gewerkt, doch dat per 6 juli 2001 de situatie anders was in die zin dat zij niet onder gezag heeft gewerkt en voor de gezelligheid en het contact met de klanten naar de markt meeging en dat zij hiervoor uitsluitend enige betaling van haar echtgenoot heeft ontvangen. Voorts acht appellante het in strijd met het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel dat het na het onderzoek van het Uwv in maart 2003 ten aanzien van de situatie van [betrokkene] eerst op 20 juni 2005 tot een afrondende standpuntbepaling bij primair besluit is gekomen.
De Raad overweegt op grond van de stukken het volgende.
[betrokkene] is in essentie in onveranderde continuïteit met de periode van vóór 7 juli 2001, toen zij gelijksoortige verzekeringsplichtige arbeid voor haar schoonvader voor 32 uur per week verzet heeft, werkzaamheden als marktverkoopster blijven verrichten, zij het dat zij per 7 juli 2001 na de geboorte van haar kind nog slechts voor 12 uur per week werkzaam was. Zij werkte hierbij blijkens de onderzoeksbevindingen en oorspronkelijke verklaringen van haarzelf en haar werkgeefster in het dossier - waaraan de Raad doorslaggevende betekenis meent te mogen toekennen - onmiskenbaar persoonlijk als marktverkoopster onder voortdurend gezag en eindverantwoordelijkheid van haar schoonvader als directe chef tegen een door hemzelf verstrekte als loon te beschouwen contante betaling van f 150,-- per week. Het zou volgens de Raad van realiteitszin gespeend zijn deze voortgezette en kennelijk geregeld verlangde en metterdaad verrichte arbeid tegen salaris als een niet in aanmerking te nemen vriendendienst van geheel vrijblijvende, incidentele aard te beschouwen.
De afronding van de besluitvorming heeft weliswaar veel tijd in beslag genomen, maar zowel de verzekeringsplicht van rechtswege als de hoogte van het loon waarover premie verschuldigd was stonden van meet af aan vast. Gezien ook de ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Coördinatiewet sociale verzekering toegestane verjaringstermijn van 5 jaar voor premievaststelling, kan de verlate afwikkeling van zaken door het Uwv de toets van de rechterlijke kritiek volgens de Raad nog wel doorstaan. Evenmin kan naar het oordeel van de Raad onder de gegeven omstandigheden staande worden gehouden dat door een en ander het zorgvuldigheidsbeginsel, laat staan het vertrouwensbeginsel is geschonden.
Uit het voorgaande volgt dat de in de eerste alinea van deze rubriek gestelde vraag in bevestigende zin dient te worden beantwoord en dat het hoger beroep van appellante dan ook niet kan slagen.
Daardoor komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen- Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 april 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
EK1704