ECLI:NL:CRVB:2007:BA5093

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1339 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens passende functies en opleidingsniveau

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om haar een WAO-uitkering toe te kennen. Het Uwv had vastgesteld dat appellante met ingang van 10 april 2002 niet in aanmerking kwam voor een WAO-uitkering, omdat zij passend werk kon verrichten als schadecorrespondent, boekhouder en statistisch medewerker.

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, omdat zij onvoldoende medische onderbouwing leverde voor haar stelling dat zij meer beperkt zou zijn dan vastgesteld. Ook werd geoordeeld dat appellante voldeed aan de opleidingseisen voor de geduide functies.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven. De Raad vond geen aanleiding om de medische beperkingen anders te beoordelen en achtte de functies passend. De arbeidsdeskundige rapporten bevestigden de geschiktheid van de functies. Ook de bezwaren over het opleidingsniveau werden verworpen, mede gelet op het MAVO-diploma van appellante.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens passende functies en voldoende opleidingsniveau.

Uitspraak

05/1339 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 februari 2005, nr. 03/2633 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 11 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Mr. F.T.I. Oey, advocaat te Helmond, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige T.E.A. de Groot, gedateerd 28 juni 2005, overgelegd.
Mr. Oey heeft een rapport van de arbeidsdeskundige E.H.J.M. Spanjers, gedateerd
20 maart 2007, ingezonden, waarop door het Uwv is gereageerd met het inzenden van een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige M. Prosée van 28 maart 2007.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Oey. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J.J.C. Röttjers.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 19 april 2002 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 10 april 2002 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Bij besluit van 18 september 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 april 2002 ongegrond verklaard.
In beroep heeft appellante aangevoerd dat zij medisch meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen en dat zij niet voldoet aan de voor de geduide functies van schadecorrespondent, boekhouder en statistisch medewerker geldende opleidingseisen.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de vastgestelde medische beperkingen voor onjuist te houden. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante haar stelling dat zij meer beperkt is dan op de FML is aangegeven niet met medische stukken, noch met verklaringen van haar behandelend artsen heeft onderbouwd. Bovendien heeft de bezwaararbeidsdeskundige in haar rapportage uitvoerig aangegeven dat de geduide functies voldoen aan de door de bezwaarverzekeringsarts gestelde voorwaarde dat appellante haar linker knie tijdens het zitten moet kunnen strekken.
De rechtbank heeft ook de arbeidskundige grief inzake het opleidingsniveau verworpen.
In zijn aanvullend beroepschrift van 8 april 2005 heeft de gemachtigde van appellante herhaald dat zij zich als gevolg van haar linker knieklachten niet in staat acht de door de arbeidsdeskundige geduide functies te vervullen. Hij heeft voorts herhaald dat appellante voor de functie van schadecorrespondent en voor de functie van boekhouder geen opleiding heeft gehad en dat zij overigens slecht met cijfers kan omgaan. Ter zitting heeft appellante erop gewezen dat zij als gevolg van het bestreden besluit noodgedwongen werk heeft moeten aanvaarden, als gevolg waarvan nu ook haar andere knie door overbelasting beschadigd is.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is om de vastgestelde medische beperkingen voor onjuist te houden. Appellante heeft ook in hoger beroep haar standpunt niet met enig medisch stuk gestaafd. De Raad ziet geen aanleiding voor een expertise door een onpartijdige deskundige gelijk bij aanvullend beroepschrift subsidiair is verzocht.
De Raad onderschrijft eveneens het oordeel van de rechtbank dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies voor appellante in medisch opzicht passend zijn te achten. De Raad verwijst hierbij voorts naar het rapport d.d. 28 juni 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige De Groot, waarin nog eens uitvoerig is toegelicht waarom de functies van schadecorrespondent, boekhouder en elektronicamonteur geschikt zijn voor appellante. Het rapport d.d. 20 maart 2007 van de arbeidsdeskundige Spanjer, waarin overigens met geen woord wordt gerept van het rapport van 28 juni 2005, bevat geen aanknopingspunten om de geduide functies niet geschikt te achten. Het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Prosée van 28 maart 2007 bevat een uitputtende motivering van de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag liggende functies.
De Raad verwerpt voorts de arbeidskundige grief inzake de opleiding, benodigd voor de functie van schadecorrespondent en boekhouder/loonadministrateur (beginnend). De Raad verwijst met instemming naar hetgeen de rechtbank over het MAVO-diploma heeft overwogen.
Het hoger beroep treft dan ook geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
TM