ECLI:NL:CRVB:2007:BA4221
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WUV-uitkering wegens ontbreken vervolging in zin van de Wet
Appellante, geboren in 1919, verzocht in juni 2005 om een periodieke uitkering als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat zij vanwege haar joodse afkomst en de arrestatie van haar vader door de Duitse bezetter ondergedoken was geweest om vervolging te ontlopen.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat appellante als kind uit een gemengd joods/niet-joods huwelijk niet viel onder de groepen die door de Duitse bezetter werden vervolgd. Bovendien was zij al in juni 1940 gehuwd met een niet-joodse Nederlander, waardoor zij de Nederlandse nationaliteit verkreeg en de Britse verloor.
De Raad bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat er geen aanwijzingen waren dat appellante daadwerkelijk vervolging had ondergaan zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet. Het feit dat zij zich schuilhield was onvoldoende om tot een andere conclusie te komen.
Daarnaast wees de Raad een vergoeding van proceskosten af op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WUV-uitkering blijft gehandhaafd.