ECLI:NL:CRVB:2007:BA3419

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3499 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 WWArt. 64 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen overname achterstallige loonbetalingen door UWV na faillissement werkgever

Appellant was sinds 29 augustus 2000 in dienst bij zijn werkgever en werd ziek gemeld op 2 oktober 2000. Ondanks geschiktheid tot werkhervatting in 2002 heeft hij zijn werkzaamheden niet hervat. De werkgever werd op 3 augustus 2004 failliet verklaard na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten in 2003. Appellant vorderde van het UWV overname van achterstallige loonbetalingen over 2000 en 2001, vastgesteld bij eerdere vonnissen.

Het UWV wees dit verzoek af omdat de achterstallige loonbetalingen niet binnen de in artikel 64 van Pro de WW genoemde perioden vallen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV terecht de overname heeft geweigerd, omdat het dienstverband pas op 3 augustus 2004 eindigde en de vorderingen betrekking hebben op eerdere jaren.

De Raad oordeelt dat appellant geen aanspraak had op loon over de WW-periodes en dus ook niet op uitkering uit hoofde van de WW. Verder wordt het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand afgewezen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: Het UWV weigert terecht de overname van achterstallige loonbetalingen omdat deze niet binnen de WW-periodes vallen.

Uitspraak

06/3499 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 mei 2006, 05/847, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 april 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend de behandeling van het geding ter zitting achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Appellant is op 29 augustus 2000 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden van
[naam werkgever]. Hij is op 2 oktober 2000 ziek gemeld. Appellant heeft zijn werkzaamheden niet hervat, ook niet nadat hij op
29 september 2002 in het kader van een beoordeling van zijn aanspraak op een WAO-uitkering, geschikt werd verklaard tot het verrichten van zijn eigen werk.
Bij vonnis van 5 september 2001, bekrachtigd bij vonnis van 18 september 2002, heeft de kantonrechter de werkgever veroordeeld tot (onder meer) betaling van loon over een tijdvak, gelegen in 2002 en 2001.
De werkgever heeft zijn bedrijfsactiviteiten per 22 augustus 2003 beëindigd. Hij is op 3 augustus 2004 failliet verklaard.
2.2. Appellant heeft het Uwv verzocht om met toepassing van Hoofdstuk IV van de WW de achterstallige betalingsverplichtingen van de werkgever, zoals vastgesteld bij voornoemde vonnissen, over te nemen. Bij besluit van
9 februari 2005 heeft het Uwv dat verzoek afgewezen. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 28 juni 2005 (het bestreden besluit) is die afwijzing gehandhaafd.
3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv er ten onrechte van was uitgegaan dat het dienstverband reeds op 23 augustus 2003 was geëindigd. Daarvan was volgens de rechtbank eerst op 3 augustus 2004 sprake. Nu de vorderingen wegens achterstallig loon c.a. betrekking hebben op 2000 en 2001 kunnen die niet worden toegerekend aan de in artikel 64 van Pro de WW genoemde perioden en heeft het Uwv het verzoek om overneming daarvan terecht afgewezen. De rechtbank heeft om die reden het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen geheel in stand blijven. Tevens zijn beslissingen gegeven omtrent het griffierecht en de proceskosten in beroep.
3.2. Appellants eerste grief in hoger beroep is dat de rechtbank ten onrechte niet heeft bepaald dat het Uwv de kosten van rechtsbijstand in bezwaar moet vergoeden.
3.3. Appellant acht het, gelet op zijn pogingen zijn salaris te incasseren, onredelijk dat overneming wordt geweigerd. Hij meent voorts dat de aanspraak ook betrekking heeft op de in artikel 64, aanhef en onder b, van de WW genoemde periodes.
4.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank op goede gronden het Uwv niet veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand in bezwaar. Nu de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar geheel in stand zijn gelaten, is van een andere uitkomst geen sprake.
4.2. De vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht appellant uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW heeft onthouden, beantwoordt de Raad bevestigend. Hij overweegt daartoe het volgende.
4.2.1. Appellant bestrijdt in hoger beroep niet dat het dienstverband niet eerder dan op 3 augustus 2004 is geëindigd. Dat standpunt stemt in zoverre overeen met het in bezwaar ingenomen standpunt dat het ontslag eerst is aangezegd op die datum. Dat heeft tot consequentie dat appellant het oordeel van de rechtbank aanvaardt dat het Uwv bij het bestreden besluit ten onrechte het verzoek van appellant heeft getoetst aan artikel 62, aanhef en onder b, van de WW, welk artikel eerst van toepassing is als de toestand van betalingsonmacht intreedt na het einde van de dienstbetrekking.
4.2.2. Uitgaande van de datum van opzegging door de curator c.q. het einde van de dienstbetrekking per 3 augustus 2004 kan niet anders worden geoordeeld dan dat de vorderingen waarvan appellant overneming heeft verzocht, geen betrekking hebben op de in artikel 64, aanhef en onder b, van de WW genoemde periodes en derhalve niet voor overneming in aanmerking komen. De Raad voegt daaraan nog toe dat op grond van de gedingstukken moet worden geconcludeerd dat appellant over de in dat artikel genoemde periodes geen aanspraak had op loon c.a. jegens zijn werkgever, en derhalve ook niet op uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW.
5.1. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, kan worden bevestigd.
5.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen en, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M.D.F. de Moor.