ECLI:NL:CRVB:2007:BA2868
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Geen toekenning van bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant ontving aanvankelijk bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloot op 21 mei 2003 dat appellant vanaf 1 april 2003 geen recht meer had op bijstand. Appellant maakte hiertegen geen bezwaar.
Op 14 juli 2004 vroeg appellant opnieuw bijstand aan bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI), met het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2003. Het College kende bijstand toe vanaf de aanvraagdatum 14 juli 2004 en wees terugwerkende kracht af wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat volgens vaste rechtspraak bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door medische of andere omstandigheden niet eerder een aanvraag kon indienen. Ook kon hij wel degelijk voor zijn moeder zorgen en haar belangen behartigen, wat tegenstrijdig is met zijn stelling dat hij niet eerder hulp kon inschakelen.
De Raad concludeert dat het College terecht de ingangsdatum van de bijstand heeft gesteld op 14 juli 2004 en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstand wordt toegekend vanaf de aanvraagdatum en niet met terugwerkende kracht wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.