ECLI:NL:CRVB:2007:BA2868

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2687 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 AbwArt. 68a AbwArt. 43 WWBArt. 44 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen toekenning van bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant ontving aanvankelijk bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloot op 21 mei 2003 dat appellant vanaf 1 april 2003 geen recht meer had op bijstand. Appellant maakte hiertegen geen bezwaar.

Op 14 juli 2004 vroeg appellant opnieuw bijstand aan bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI), met het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2003. Het College kende bijstand toe vanaf de aanvraagdatum 14 juli 2004 en wees terugwerkende kracht af wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat volgens vaste rechtspraak bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door medische of andere omstandigheden niet eerder een aanvraag kon indienen. Ook kon hij wel degelijk voor zijn moeder zorgen en haar belangen behartigen, wat tegenstrijdig is met zijn stelling dat hij niet eerder hulp kon inschakelen.

De Raad concludeert dat het College terecht de ingangsdatum van de bijstand heeft gesteld op 14 juli 2004 en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De bijstand wordt toegekend vanaf de aanvraagdatum en niet met terugwerkende kracht wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

06/2687 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2006, 05/687 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 10 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.S. Pot, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pot. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontving bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Bij besluit van 21 mei 2003 heeft het College appellant bericht dat hij met ingang van 1 april 2003 geen recht meer heeft op bijstand. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
Op 14 juli 2004 heeft appellant zich gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) voor het aanvragen van een bijstandsuitkering. In de hierop gevolgde aanvraag heeft appellant verzocht de bijstand met ingang van 1 april 2003 toe te kennen.
Bij besluit van 23 september 2004 heeft het College appellant met ingang van 14 juli 2004 (de aanvraagdatum) bijstand toegekend. Het College heeft bij dit besluit overwogen dat er geen aanleiding is voor het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht omdat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan kan worden afgeweken van de hoofdregel dat de bijstand wordt verleend met ingang van de aanvraagdatum.
Bij besluit van 9 december 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 september 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 december 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 67 en 68a van de Abw en 43 en 44 van de Wet werk en bijstand wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden dan wel, in voorkomende gevallen, de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van appellant geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan aanleiding bestaat de bijstand met ingang van een datum gelegen voor 14 juli 2004 te verlenen. Uit de door appellant overlegde medische gegevens blijkt niet dat hij buiten staat was zelf eerder een aanvraag in te dienen. Voorts is niet gebleken dat appellant niet (eerder) de hulp van een derde heeft kunnen inschakelen om namens hem daartoe de nodige stappen te ondernemen. Het College heeft in dit verband terecht erop gewezen dat appellant wel in staat is gebleken voor zijn moeder te zorgen en onder meer haar financiële belangen te behartigen. Ook overigens is niet van bijzondere omstandigheden in bovenbedoelde zin gebleken. Het College heeft de ingangsdatum van de bijstandsverlening dan ook terecht gesteld op 14 juli 2004.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2007.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) R.E. Lysen.
RB2703