AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij WAO-uitkering
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV waarin een WAO-uitkering werd toegekend. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het na de wettelijke termijn van zes weken was ingediend.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar te laat was ingediend, ondanks dat het aanvankelijk verkeerd was geadresseerd en daardoor retour kwam. Appellante diende het bezwaar uiteindelijk pas na afloop van de termijn in. De Raad overwoog dat zelfs als het bezwaar tijdig was gepost, het niet binnen een week na afloop van de termijn door het UWV was ontvangen, waardoor het niet tijdig was.
Het hoger beroep van appellante werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 AwbPro om de termijn te verlengen of het bezwaar alsnog toe te laten.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het WAO-besluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
Uitspraak
05/4403 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2005, 03/1169 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2007. Appellante is verschenen, vergezeld door haar zuster. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.
II. OVERWEGINGEN
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante aangeduid is als eiseres en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
“Bij besluit van 16 november 2001 heeft verweerder eiseres met ingang van 2 april 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikheids-verzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%. Bij het bestreden besluit van 13 februari 2003 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 16 november 2001 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
De rechtbank dient de beoordelen of verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe overweegt zij het volgende.
In artikel 6:7 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb - voor zover hier van belang - vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit de belanghebbende is toegezonden.
Verweerder heeft het besluit van 16 november 2001 op die datum aan eiseres verzonden. De bezwaartermijn is dan ook op 17 november 2001 aangevangen en op 28 december 2001 geëindigd. Het bezwaarschrift van eiseres, dat is gedateerd op 21 december 2001, is op 11 april 2002, en derhalve ruimschoots na afloop van de daarvoor geldende termijn, bij verweerder binnengekomen.
Uit het dossier blijkt dat eiseres het bezwaarschrift aan verweerder heeft gericht, maar geadresseerd op een verkeerd postbusnummer, zodat het bezwaarschrift bij de FDRO, een facilitaire dienst van het Ministerie van Justitie, is beland. Deze facilitaire dienst heeft het bezwaarschrift aan eiseres geretourneerd bij brief van 27 december 2001. Op het moment dat eiseres het bezwaarschrift retour ontving, was de bezwaartermijn verstreken en meende eiseres dat het geen zin meer had om het bezwaarschrift alsnog bij verweerder in te dienen. Zij heeft dat uiteindelijk ter gelegenheid van de hoorzitting op 11 april 2002 alsnog gedaan.”
De rechtbank was van oordeel dat onder toepassing van artikel 6:15, derde lid, van de Awb, zoals het artikel destijds luidde, het bezwaarschrift niet tijdig ingediend is.
De Raad houdt deze overweging van de rechtbank op zich niet voor onjuist.
De Raad merkt voorts op dat, nu de gebruikte enveloppe niet meer voorhanden is, niet meer te achterhalen is of de verkeerde bezorging van het bezwaarschrift te wijten is aan de vermelding van een verkeerd postbusnummer, of aan een fout op het sorteercentrum van de post.
Het kan appellante echter niet baten als ervan uit gegaan wordt dat het bezwaarschrift de juiste adressering had. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb zou het bezwaarschrift dan wel tijdig ingediend zijn, omdat het voor het einde van de termijn ter post was bezorgd. Echter, er moet dan ook voldaan zijn aan de tweede voorwaarde in bovengenoemde bepaling namelijk dat het bezwaarschrift niet later dan een week na afloop van de termijn door het Uwv ontvangen is. Dit laatste is niet gebeurd.
Het hoger beroep van appellante slaagt niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2007.