ECLI:NL:CRVB:2007:BA2392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over premienota wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar
Appellant maakte bezwaar tegen een premienota van het UWV over de jaren 1997 tot en met 2000. De brief van het UWV van 26 januari 2001 stelde dat appellant premies verschuldigd was en gaf aan dat bezwaar mogelijk was. De rechtbank had eerder geoordeeld dat deze brief een besluit in de zin van de Awb bevatte en dat het bezwaar gegrond was. Later stelde het UWV het bezwaar ongegrond en de rechtbank verklaarde dit besluit terecht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de premienota zelf niet gericht is op een rechtsgevolg, omdat het premieloon reeds in de brief van 26 januari 2001 was vastgesteld. Het bezwaar was gericht tegen het premieloon en had daarom niet ontvankelijk verklaard moeten worden. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Hiermee komt een einde aan de procedure over de premienota, waarbij de Raad zelf in de zaak voorziet.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant tegen de premienota wordt niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit vernietigd.