ECLI:NL:CRVB:2007:BA2347

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-271 WARZO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 WAZOArt. 3:6 WAZOArt. 3:7 WAZOArt. 8a ZWArt. 21 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging recht op WAZO-uitkering ondanks ontvangst WAO-uitkering

Betrokkene staakte haar werkzaamheden wegens ziekte en ontving vanaf september 2004 een WAO-uitkering. In verband met zwangerschap vroeg zij een WAZO-uitkering aan met ingang van december 2004, welke werd afgewezen omdat zij niet meer verzekerd zou zijn voor de Ziektewet. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit.

In hoger beroep stelde appellant dat de wetgever niet de intentie had om de groep rechthebbenden voor de WAZO-uitkering uit te breiden tot WAO-ontvangers. De Raad oordeelde echter dat betrokkene als werknemer in de zin van de WAZO moet worden beschouwd en derhalve recht heeft op de uitkering. De duidelijke wettelijke bepalingen laten geen ruimte voor een andere interpretatie.

De Raad verwierp het verweer van appellant en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 maart 2007.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het recht van betrokkene op een WAZO-uitkering ondanks ontvangst van een WAO-uitkering.

Uitspraak

06/271 WARZO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 december 2005, 05/590 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[naam besloten vennootschap], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: vennootschap)
en
appellant.
Datum uitspraak: 15 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens de vennootschap heeft mr. Y.L.S. Schipper, werkzaam bij Deloitte MKB Accountancy & Advies B.V., een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De vennootschap heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
[naam betrokkene] (hierna: betrokkene) heeft haar werkzaamheden voor de vennootschap wegens ziekte per 1 oktober 2003 gestaakt. Ingaande 26 september 2004 ontvangt betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
In juni 2004 hebben de vennootschap en betrokkene in verband met zwangerschap van betrokkene een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet Arbeid en Zorg (WAZO), waarbij als ingangsdatum van het zwangerschapsverlof 24 december 2004 is opgegeven. Deze aanvraag is bij besluit van 28 december 2004 afgewezen. Het tegen het besluit van 28 december 2004 gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 24 maart 2005 ongegrond verklaard op de grond dat betrokkene per 26 september 2004 een uitkering ingevolge de WAO ontvangt, zodat zij vanaf die datum niet meer is verzekerd voor de Ziektewet (ZW). Dit heeft volgens appellant tot gevolg dat zij ingaande 24 december 2004 ook niet voor toekenning van een uitkering ingevolge de WAZO in aanmerking komt.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 24 maart 2005 ingestelde beroep - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat tussen betrokkene en de vennootschap sprake was van een arbeidsovereenkomst op grond waarvan zij moet worden aangemerkt als werknemer als bedoeld in artikel 1:1 van Pro de WAZO. De omstandigheid dat betrokkene ten tijde hier in geding een WAO-uitkering genoot en
geen arbeid verrichtte, doet aan het vorenstaande niet af. Hiermee staat volgens de rechtbank vast dat betrokkene viel onder de omschrijving van artikel 3:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZO.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is onder verwijzing naar de toelichting op de WAZO aangevoerd dat de wetgever met de invoering van de WAZO niet de intentie heeft gehad om de (oude) onder de ZW geldende regeling ter zake van zwangerschaps- en bevallingsuitkering te wijzigen.
De omstandigheid dat degene die een WAO-uitkering ontvangt op grond van artikel 8a van de ZW mede als werknemer wordt beschouwd, houdt verband met de mogelijkheid om ZW-premies te heffen. Om te voorkomen dat deze werknemers recht kregen op ziekengeld, werden deze werknemers op grond van artikel 21 van Pro de ZW niet als verzekerden aangemerkt. Volgens appellant heeft de wetgever met de invoering van de WAZO geen uitbreiding van de groep rechthebbenden op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering beoogd. Appellant stelt dat betrokkene tegen deze achtergrond niet kan worden aangemerkt als werknemer als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZO. Voor zijn standpunt vindt appellant voorts steun in de omstandigheid dat zowel de WAO-uitkering als een eventuele door de vennootschap verstrekte aanvulling op deze uitkering bij een dagloonberekening van de WAZO-uitkering buiten beschouwing worden gelaten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 1:1, aanhef en onder b, van de WAZO wordt voor de toepassing van deze wet onder werknemer verstaan degene die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht voor een werkgever.
Op grond van artikel 3:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZO wordt voor het recht op uitkering in verband met zwangerschap en bevalling onder het begrip werknemer verstaan de werknemer als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel b, met uitzondering van degene die op grond van de Eerste Afdeling, Paragraaf 2, van de ZW geen werknemer in de zin van die wet is.
Op grond van artikel 3:7, eerste lid, van de WAZO heeft de vrouwelijke werknemer gedurende de periode dat het zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, recht op uitkering.
De Raad stelt vast - en door partijen is ook niet betwist - dat ten tijde hier van belang tussen de vennootschap en betrokkene sprake was van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder b, van de WAZO. Op grond van artikel 8a van de ZW wordt betrokkene beschouwd als werknemer, zodat zich in het onderhavige geval ook niet de uitzondering voordoet als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZO. Hiermee staat vast dat betrokkene werknemer is als bedoeld in artikel 3:6, aanhef en onder a, van de WAZO die op grond van artikel 3:7, eerste lid, van de WAZO gedurende de periode van zwangerschaps- of bevallingsverlof recht heeft op uitkering.
Het argument dat het nimmer de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat in gevallen als de onderhavige, waarin op grond van de WAO een uitkering wordt ontvangen, een recht op WAZO-uitkering zou worden verkregen, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Daarbij overweegt de Raad dat de omschrijving van het begrip werknemer in hiervoor vermelde bepalingen volstrekt duidelijk is en dat er onvoldoende rechtsbasis is om met een beroep op de bedoeling van de wetgever deze duidelijke bepalingen terzijde te schuiven. Nu de WAZO niet een met artikel 21 van Pro de ZW gelijkluidende bepaling kent, kan de Raad voorts niet tot een andere conclusie komen dan dat betrokkene op grond van artikel 3:7 van Pro de WAZO recht heeft op uitkering. Hetgeen door appellant naar voren is gebracht met betrekking tot het dagloon, brengt de Raad niet tot een ander oordeel aangezien dit niet ziet op het recht op uitkering maar op de hoogte daarvan.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) D. Olthof.
EK1303