ECLI:NL:CRVB:2007:BA1972

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-7403 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
  • F.A.M. Stroink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onjuiste medische en arbeidskundige beoordeling

Appellante, die sinds 1996 wegens nek-, rug- en psychische klachten arbeidsongeschikt is, kreeg na een medische en arbeidskundige beoordeling haar WAO-uitkering ingetrokken per 31 augustus 2003. De rechtbank oordeelde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat de functies waarop de schatting was gebaseerd binnen de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vielen. In hoger beroep benadrukte appellante de ernst van haar rugklachten, maar de Raad onderschreef het oordeel dat de toename van klachten na maart 2004 niet relevant was voor de beoordeling per 31 augustus 2003.

De Raad vond de arbeidskundige onderbouwing van het besluit passend, ondanks dat een bezwaararbeidsdeskundige een functie ongeschikt achtte vanwege belastbaarheid. De overige functies boden voldoende grondslag voor de schatting van minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Wel oordeelde de Raad dat het bestreden besluit strijdig was met de Awb wegens onvoldoende onderbouwing in de beroepsfase, waardoor het besluit en de eerdere uitspraak werden vernietigd.

Omdat de noodzakelijke onderbouwing alsnog werd gegeven, konden de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 maart 2007.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

04/7403 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 november 2004, 04/2042 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 28 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2007. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.W.G. Determan.
II. OVERWEGINGEN
Appellante was werkzaam als schoonmaakster gedurende vijf uren per week en is op
21 oktober 1996 uitgevallen met nek-, rug- en psychische klachten. Na het vervullen van de wachttijd zijn aan appellante uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.
In het kader van haar verzoek om voortzetting van de uitkering ingevolge de WAO is appellante op 18 november 2002 door de verzekeringsarts S. Jansen gezien. Deze verzekeringsarts heeft appellante beperkt geacht ten aanzien van zwaar tillen, lang staan, zitten, tijdsdruk en omgaan met conflicten, geen medische noodzaak gezien tot het geven van een urenbeperking en dit vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 18 november 2002. Met inachtneming van die beperkingen heeft de arbeidsdeskundige G. van Wittmarschen voor appellante functies geselecteerd die zij mede gelet op haar belastbaarheid en met inachtneming van de opleidings- en bekwaamheidseisen nog zou kunnen vervullen. Uitgaande van de drie functies met de hoogste lonen kon zij nog een zodanig inkomen verdienen dat sprake was van een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Daarop heeft het Uwv bij besluit van
15 juli 2003, na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 7 april 2004 (hierna: het bestreden besluit), de uitkering ingevolge de WAO van appellante ingaande
31 augustus 2003 ingetrokken.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het standpunt van appellante dat van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de ter zitting overgelegde medische informatie, waaruit blijkt dat bij appellante in maart 2004 een ernstige hernia is geconstateerd, betrekking heeft op een toename van haar klachten na de datum in geding. Voorts heeft de rechtbank geconcludeerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies qua belasting binnen de FML passen.
In hoger beroep benadrukt appellante de ernst van de rugklachten en de pijn die zij daarvan ondervindt.
Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige
C.G. Litjens in zijn rapport van 15 april 2005 per functie een nadere toelichting gegeven op signaleringen en niet-matchende punten in de FML. Bij nadere beschouwing acht deze bezwaararbeidsdeskundige een van de drie binnen de sbc-code 111334 geselecteerde functies van huishoudelijk medewerker gebouwen in verband met een overschrijding van de belastbaarheid bij het aspect staan ongeschikt. Met de twee resterende functies van huishoudelijk medewerker gebouwen en de functies binnen de sbc-codes 111333, huishoudelijk medewerker, en 272042, productiemedewerker confectie, kleermaken, blijven voldoende functies over als grondslag voor de schatting en dit leidt niet tot een ander arbeidsongeschiktheidspercentage.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft met name het oordeel van de rechtbank dat de geconstateerde toename van de rugklachten begin 2004 los staat van de hier in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 31 augustus 2003.
Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan de Raad zich vinden in de geschiktheid van de functies als genoemd en nader toegelicht in voormeld arbeidskundig rapport van 15 april 2005. Vergelijking van het voor appellante geldende maatmaninkomen met het loon dat zij nog kan verdienen met de voor haar passend te achten werkzaamheden resulteert ook naar het oordeel van de Raad in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN AR4716 en volgende, stelt de Raad vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in de (hoger) beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op ’s-Raads standpunt met betrekking tot het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) moet zulks tot de conclusie leiden dat bedoeld besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dienen te worden vernietigd. Nu echter alsnog de noodzakelijk geachte onderbouwing van het bestreden besluit is gegeven, kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand blijven.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 21,50 aan reiskosten in hoger beroep
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 21,50 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 139,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en
M.S.E. Wulffraat-van Dijk en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als giffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.
JL