ECLI:NL:CRVB:2007:BA1863
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Beoordeling functiewaardering leerplichtambtenaar gemeente Brielle
Betrokkene is sinds 1992 in dienst bij de gemeente Brielle en vervult sinds 1999 de functie van leerplichtambtenaar. In 2004 heeft de gemeente de functie opnieuw gewaardeerd volgens het ODRP-functiewaarderingssysteem 2000, waarbij de functie werd ingedeeld in salarisniveau 7. Betrokkene maakte bezwaar tegen de toegekende score van 2 punten voor het gezichtspunt Keuzemogelijkheden, omdat zij meent dat deze onvoldoende recht doet aan de zelfstandigheid en het initiatief in haar functie.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit wegens schending van artikel 7:12 Awb Pro, waarna appellant een nieuw besluit op bezwaar nam. In hoger beroep betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de samenhang tussen de hoofdgroepindeling en de overige gezichtspunten en dat het werk slechts op bekende manieren kan worden uitgevoerd met beperkt initiatief.
De Raad stelt vast dat het geschil zich richt op de waardering van Keuzemogelijkheden en dat de toetsingsmaatstaf terughoudend is. Volgens het functiewaarderingssysteem betreft dit de mate waarin de functionaris initiatieven kan ontwikkelen en problemen kan oplossen. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de rechtbank de samenhang tussen de hoofdgroepindeling en andere gezichtspunten miskende. De Raad oordeelt dat de functiebeschrijving juist wijst op het ontwikkelen van initiatieven bij meervoudige problematiek zonder voor de hand liggende oplossingen, wat aansluit bij een score van 3 punten in plaats van 2.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is en vernietigt ook het nieuwe besluit van 16 februari 2006 wegens het ontbreken van een draagkrachtige motivering. Er worden geen proceskosten toegekend aan betrokkene. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe besluitvorming met inachtneming van de overwegingen van de Raad.
Uitkomst: Het besluit van 16 februari 2006 wordt vernietigd wegens het ontbreken van een draagkrachtige motivering.