ECLI:NL:CRVB:2007:BA1614
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.A.A.G. Vermeulen
- J.Th. Wolleswinkel
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wachtgeldaanspraak wegens civielrechtelijke grondslag
Appellant was van 1980 tot 1990 ambtenaar bij een gemeenschappelijke regeling en daarna in dienst van een stichting op basis van een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst waarin een wachtgeldaanspraak was opgenomen. Na beëindiging van zijn dienstverband bij de stichting vroeg appellant bij de gemeente Utrecht om wachtgeld. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het zich niet bevoegd achtte over de wachtgeldaanspraak te beslissen, aangezien deze voortvloeit uit de civielrechtelijke arbeidsovereenkomst.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat er geen rechtstreekse publiekrechtelijke relatie bestaat tussen appellant en de gemeente Utrecht met betrekking tot de wachtgeldaanspraak. De arbeidsovereenkomst met de stichting bevat de enige relevante bepaling en de garantieverlening door de gemeente vormt geen publiekrechtelijke aanspraak. De stelling van appellant dat de stichting als betaalloket voor de gemeente fungeert, wordt niet onderbouwd.
De Raad ziet geen grond voor vergoeding van proceskosten en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 maart 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college niet bevoegd is om te beslissen over de wachtgeldaanspraak en verklaart het beroep ongegrond.