ECLI:NL:CRVB:2007:BA1037
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WUBO-toeslag wegens ontbreken blijvende invaliditeit na oorlogsgeweld
Appellant, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in 2005 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een toeslag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO). De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen omdat niet was vastgesteld dat appellant was getroffen door oorlogsgeweld. Na bezwaar erkende verweerster dat appellant internering had ondergaan in het kamp Pulau Brayan tijdens de Japanse bezetting, maar oordeelde dat dit niet had geleid tot blijvende lichamelijke of psychische invaliditeit.
De Raad toetste of het besluit terecht was dat appellant geen blijvende invaliditeit had opgelopen als gevolg van het oorlogsgeweld. Uit het medisch advies van geneeskundig adviseur Koperberg en rapporten van behandelende artsen bleek dat appellant wel psychische klachten had, zoals vermijdingsgedrag, gerelateerd aan de oorlogservaringen, maar dat deze beperkingen te gering waren om van blijvende invaliditeit te spreken.
De Raad vond het besluit deugdelijk voorbereid en gemotiveerd en zag geen reden om te twijfelen aan de medische beoordeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant geen blijvende invaliditeit heeft opgelopen door oorlogsgeweld.