ECLI:NL:CRVB:2007:BA0970

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1862 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 13 Loonadministratiebesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake boete wegens niet tijdig indienen loonopgaven

In deze zaak stond de vraag centraal of betrokkene terecht een boete opgelegd kreeg wegens het niet of niet tijdig indienen van periodieke loonopgaven over diverse perioden in 2003 en 2004. Betrokkene gaf toe dat door een wisseling van boekhouder de loonopgaven niet op de juiste plek aankwamen, maar stelde dat zijn boekhouder contact had met het UWV en de loonopgaven alsnog had verstuurd.

De rechtbank had de grieven van betrokkene verworpen en tevens een oordeel gegeven over de vraag of er sprake was van opzet of grove schuld, hoewel deze vraag niet door betrokkene was opgeworpen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank hiermee buiten de procesmatige grenzen was getreden en het bepaalde in artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet had gerespecteerd.

De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarmee de boete in stand bleef. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van het respecteren van de procesgrenzen en de verantwoordelijkheid van de werkgever voor tijdige loonopgave.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de boete wegens niet tijdig indienen van loonopgaven blijft gehandhaafd.

Uitspraak

06/1862 CSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 februari 2006, 05/ 5100 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 8 maart 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. Th. Meijer, advocaat te ’s-Gravenzande, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2007, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uwv. Betrokkene is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Th. Meijer, voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.
Bij besluit van 3 april 2005 heeft appellant aan betrokkene een boete opgelegd ten bedrage van € 2.576,27 wegens het niet of niet tijdig indienen van periodieke loonopgaven over de perioden 6 oktober 2003 tot en met 31 oktober 2003, 1 juni 2004 tot en met 30 juni 2004, 1 juli 2004 tot en met 31 juli 2004, 1 augustus 2004 tot en met
31 augustus 2004 en 1 september 2004 tot en met 30 september 2004. Aan dit besluit ligt het standpunt van appellant ten grondslag dat er sprake is van twee of meer, aan opzet dan wel grove schuld te wijten overtredingen van de in artikel 13, eerste lid, van het Loonadministratiebesluit neergelegde verplichting tot het tijdig indienen van de periodieke loonopgaven en dat de boete dient te worden vastgesteld op 37,5% van de ambtshalve opgelegde premie.
Het namens betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 juni 2005 gegrond verklaard voor zover de boete ziet op de werknemers A. Tefik Oglou en
H. Sahin. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 30 juni 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen. De rechtbank is van oordeel dat het niet dan wel niet tijdig inzenden van de periodieke loonopgaven de verantwoordelijkheid van betrokkene is. Wat betreft stelling van appellant dat er sprake is van overtredingen en dat die overtredingen moeten worden gekwalificeerd als opzet of grove schuld is de rechtbank evenwel van oordeel dat deze voldoende feitelijke grondslag mist.
De rechtbank heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant in zijn rappelbrieven betrokkene weliswaar heeft medegedeeld dat hij betrokkene verschillende keren heeft verzocht het loon over de ontbrekende loontijdvakken naar appellant op te sturen, maar dat appellant niet heeft doen blijken op welke perioden die verzoeken betrekking hebben en wanneer daartoe eerste verzoeken zijn gedaan. Bovendien heeft appellant evenmin doen blijken op welke gedragingen de eerste drie overtredingen betrekking hebben.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd met primair het argument dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden, aangezien hetgeen de rechtbank appellant verwijt niet (verifieerbaar) door of namens betrokkene in het geding naar voren is gebracht. Subsidiair is appellant van mening dat gelet op recente uitspraken van de Raad de indiening van loonopgaven een zodanig bekende verplichting is van werkgevers, dat reeds indien deze niet tijdig geschiedt mag worden aangenomen dat er sprake is van opzet /grove schuld ter zake van het niet (tijdig) indienen van de loonopgaven.
Een werkgever kan zich alleen van opzet / grove schuld disculperen, indien hij omstandigheden aanvoert en zonodig aannemelijk maakt waaruit volgt dat de overtreding niet aan zijn grove schuld te wijten is. Nu de uitspraken van betrokkene expliciet op het tegendeel wijzen, had de rechtbank naar de mening van appellant uit het feitencomplex van de onderhavige zaak niet anders kunnen opmaken dan dat betrokkene, verantwoordelijk voor het tijdig inzenden van tussentijdse loonopgaven, verzuimd heeft.
De Raad stelt vast dat de in bezwaar en beroep door betrokkene aangevoerde grieven uitsluitend zien op het al dan niet tijdig inzenden van de periodieke loonopgaven. Door betrokkene wordt toegegeven dat door verandering van boekhouder de periodieke loonopgaven niet op de juiste plek zijn aangekomen, maar is gesteld dat zijn boekhouder geregeld contact hierover heeft geacht met het Uwv en vervolgens de desbetreffende periodieke looncontroles alsnog verstuurd en gefaxt zijn. De rechtbank heeft deze grieven in haar uitspraak verworpen onder verwijzing naar de verantwoordelijkheid van betrokkene voor de tijdige inzending van periodieke loonopgave. Vervolgens heeft de rechtbank tevens een oordeel gegeven over de -door betrokkene niet opgeworpen- vraag of voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt dat sprake is van overtredingen welke moeten worden gekwalificeerd als opzet of grove schuld.
De Raad is met appellant van oordeel dat de rechtbank met dit laatste oordeel buiten de omvang van het geding is gestreden en aldus het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet in acht heeft genomen.
Het hoger beroep van appellant slaagt. De Raad zal met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, het beroep van betrokkene tegen het besluit van 30 juni 2005 ongegrond verklaren.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad tot slot geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en
N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Pijper.
BKH 080307