ECLI:NL:CRVB:2007:BA0911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering, terugvordering en boete vernietigd wegens onjuiste vaststelling arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig assistent-accountant, viel sinds 1994 uit wegens hartklachten en ontving een WAO-uitkering. Na een vijfdejaarsherbeoordeling werd zijn uitkering in 2002 herzien op basis van een gedeeltelijke werkhervatting van 6 uur per dag. Later werd dit teruggebracht naar 4 uur per dag. Het UWV herzag de uitkering per 1 januari 2003 en legde een terugvordering en boete op wegens vermeende schending van mededelingsplicht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV ten onrechte twee bedragen, een nabetaling en een overwerkvergoeding, had meegerekend bij de vaststelling van de feitelijke verdiensten. Deze bedragen waren niet duurzaam van aard en mochten niet worden meegenomen. Hierdoor was de mate van arbeidsongeschiktheid onjuist vastgesteld.
De Raad vernietigde de besluiten tot herziening, terugvordering en boete en bepaalde dat de WAO-uitkering per 1 december 2003 ongewijzigd moest worden vastgesteld op 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De Raad bevestigde dat het besluit van 10 juni 2002 rechtskracht heeft verkregen omdat daartegen geen rechtsmiddel was aangewend.
Uitkomst: De besluiten van het UWV tot herziening, terugvordering en boete zijn vernietigd en de WAO-uitkering per 1 december 2003 vastgesteld op 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid.