ECLI:NL:CRVB:2007:BA0578

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5535 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 6:15 AwbArt. 8:75 AwbArt. 47 WrraArt. 9a Wet op de bezoldiging van rechterlijke ambtenaren
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken hoedanigheid rechterlijk ambtenaar

Betrokkene stelde beroep in bij de Centrale Raad van Beroep tegen een beslissing op bezwaar inzake de afwijzing van zijn sollicitatie als gerechtsauditeur. De Raad oordeelde dat betrokkene niet de hoedanigheid bezit van rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding zoals bedoeld in artikel 47 van Pro de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra).

Hierdoor kon betrokkene niet rechtstreeks beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, maar diende hij dit bij de rechtbank te doen conform artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Betrokkene voerde aan dat hij ongelijk werd behandeld ten opzichte van rechterlijke ambtenaren, maar de Raad verwierp dit argument op basis van de wetsgeschiedenis en het belang van de goede verhoudingen binnen de rechterlijke macht.

De Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en zond het beroepschrift door naar de rechtbank ’s-Gravenhage met toepassing van artikel 6:15 Awb Pro. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door K. Zeilemaker op 1 maart 2007.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard en doorgezonden naar de rechtbank.

Uitspraak

06/5535 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[betrokkene], (hierna: betrokkene),
en
het Bestuur van de Centrale Raad van Beroep (hierna: bestuur)
Datum uitspraak: 1 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Betrokkene heeft bij beroepschrift, dat op 13 september 2006 bij de Centrale Raad van Beroep is ingekomen, beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van het bestuur van 16 augustus 2006.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 8 februari 2007. Partijen zijn, met kennisgeving, niet verschenen. Betrokkene heeft bij zijn kennisgeving nog een nadere toelichting gegeven op zijn beroepschrift.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van betrokkene, dat gericht was tegen de afwijzing van zijn sollicitatie naar de functie van gerechtsauditeur bij de Centrale Raad van Beroep, niet-ontvankelijk verklaard. Hoewel in dit besluit is aangegeven dat betrokkene daartegen beroep kan instellen bij de rechtbank ’s-Gravenhage, heeft hij rechtstreeks beroep ingesteld bij de Raad. In zijn beroepschrift heeft betrokkene aangegeven dat hij geen enkele objectieve rechtvaardigingsgrond ziet voor het onderscheid in bestuursrechtelijke rechtsbescherming tussen personen die wel en zij die niet evident voldoen aan artikel 47 van Pro de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra).
2. De Raad overweegt als volgt.
2.1. In artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank. In artikel 47 van Pro de Wrra is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit of een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een rechterlijk ambtenaar als zodanig of een rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn, beroep kan instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
2.2. De Raad stelt vast dat betrokkene niet de hoedanigheid bezit van rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding als bedoeld in artikel 47 van Pro de Wrra, zodat hij tegen het door hem bestreden besluit niet rechtstreeks beroep kan instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Betrokkene dient overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:1 van Pro de Awb en de vermelding in het bestreden besluit, beroep in te stellen bij de rechtbank.
2.3. Hetgeen betrokkene in zijn beroepschrift heeft aangevoerd met betrekking tot de voordelen die voor hem verbonden zijn aan het overslaan van een rechterlijke instantie, kan aan de bij wet geregelde bevoegdheidsverdeling niet afdoen. De stelling van betrokkene dat hij gediscrimineerd wordt ten opzichte van rechterlijke ambtenaren deelt de Raad niet. Rechtvaardiging voor de rechtstreekse toegang tot de Centrale Raad van Beroep voor rechterlijke ambtenaren (in opleiding) is blijkens de wetsgeschiedenis (van artikel 9a van de Wet op de bezoldiging van rechterlijke ambtenaren, Stb. 1993, 650) te vinden in het belang van de goede verhoudingen binnen de rechterlijke macht. Ook verder ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat doorzending van het beroep tegen het bestreden besluit naar de rechtbank ’s-Gravenhage, in strijd zou komen met (een van) de door betrokkene genoemde artikelen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.4. Dit betekent dat het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard. De Raad zal het beroepschrift van betrokkene met toepassing van artikel 6:15 van Pro de Awb doorzenden naar de rechtbank ’s-Gravenhage.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) P.J.W. Loots.