ECLI:NL:CRVB:2007:BA0445
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV weigering WAO-uitkering en toewijzing nieuw besluit
Appellant had een WAO-uitkering aangevraagd die door het UWV per 21 maart 2002 werd geweigerd op grond dat appellant geschikt werd geacht zijn eigen werk als schoonmaker te verrichten. Het bezwaar van appellant tegen deze weigering werd door het UWV ongegrond verklaard en de rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
Tijdens het hoger beroep kwam het UWV terug op haar standpunt, mede op basis van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts, en erkende dat appellant niet in staat was zijn maatgevende arbeid te verrichten. De Raad oordeelde dat het UWV het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank moest vernietigen en het UWV moest opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Hiermee werd appellant in het gelijk gesteld en werd het UWV verplicht tot herbeoordeling van de uitkeringsaanvraag.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.