ECLI:NL:CRVB:2007:BA0146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens ontbreken recht op arbeid ondanks verblijfsvergunning
Appellante, geboren in Nederland maar zonder Nederlandse nationaliteit, verzocht om een WW-uitkering. Het UWV wees dit af omdat zij vanwege haar verblijfsstatus geen arbeid in loondienst mocht verrichten en daardoor niet verzekerd was voor de WW. Na bezwaar handhaafde het UWV dit besluit. Appellante kreeg later met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning verleend, maar deze stond arbeid niet toe. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat deze gewijzigde omstandigheid geen aanleiding gaf tot herziening van het oorspronkelijke besluit.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de verblijfsvergunning recht gaf op een WW-uitkering en dat de Koppelingswet niet op haar van toepassing was. De Raad overwoog dat het UWV bevoegd is een herhaalde aanvraag inhoudelijk te beoordelen, maar bij handhaving van het eerdere besluit de toets beperkt moet blijven tot nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De verleende verblijfsvergunning zonder recht op arbeid vormt geen relevante wijziging.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellante zich niet kan beroepen op onwetendheid over het arbeidsverbod. Ook is de eerdere beslissing over de Koppelingswet onherroepelijk geworden. Er zijn geen gronden voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens ontbreken van recht op arbeid ondanks verleende verblijfsvergunning.