de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 december 2004, 04/632 (hierna: aangevallen uitspraak),
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
Datum uitspraak: 1 maart 2007
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft appellant bij brief van 2 januari 2007 nadere inlichtingen verstrekt en daarbij tevens een afschrift van het besluit van 2 januari 2007 ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2007. Namens appellant is verschenen F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is niet verschenen.
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 1 december 1993 is aan betrokkene met ingang van 1 oktober 1993 een WAO-uitkering toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op f 169,76. Bij brief van 22 februari 2003 is namens betrokkene verzocht om herziening van het dagloon en om vergoeding van de wettelijke rente over de daaruit voortvloeiende nabetaling. Bij besluit van 12 november 2003 heeft appellant het WAO-dagloon met volledig terugwerkende kracht verhoogd.
Bij besluit van 25 november 2003 heeft appellant een bedrag van € 6,43 aan wettelijke rente toegekend. Het namens betrokkene daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 april 2004 gegrond verklaard en aan betrokkene is een bedrag van € 109,38 aan wettelijke rente toegekend. De periode waarover wettelijke rente is vergoed loopt van
1 mei 2003 tot 19 november 2003, op welke datum de nabetaling heeft plaatsgevonden.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 26 april 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Volgens de rechtbank dient appellant wettelijke rente te vergoeden vanaf 1 januari 1994, zijnde de eerste dag van de maand, volgend op die waarin de toekenning van de uitkering heeft plaatsgevonden. Voor matiging van de wettelijke rente heeft de rechtbank geen grondslag aanwezig geacht.
Appellant erkent de onrechtmatigheid van het besluit van 1 december 1993, maar vindt dat de gevolgen van die onrechtmatigheid veeleer voor risico van betrokkene dienen te komen. Daartoe acht appellant van belang dat de onjuiste vaststelling van het dagloon in het verleden het gevolg is van het feit dat zowel betrokkene als zijn werkgever geen melding hebben gemaakt van bepaalde loonbestanddelen, dat betrokkene destijds geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de onjuiste dagloonvaststelling en dat betrokkene eerst na zeer geruime tijd om herziening van het dagloon heeft verzocht.
De Raad overweegt als volgt.
Met het besluit van 2 januari 2007 heeft appellant naast het al toegekende bedrag van
€ 109,38 tevens een bedrag van € 2,13 toegekend, zijnde rente over de rente.
De Raad merkt het besluit van 2 januari 2007 aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dat besluit niet geheel is tegemoet-gekomen aan de bezwaren van betrokkene, dient de Raad dit besluit gelet op artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb mede in zijn beoordeling te betrekken. De Raad stelt voorts vast dat het besluit van 2 januari 2007 in de plaats treedt van het besluit van 26 april 2004, zodat er geen belang meer bestaat bij een beoordeling in hoger beroep van de aangevallen uitspraak. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Raad volstaat met een oordeel over het beroep dat betrokkene geacht wordt te hebben ingesteld tegen het besluit van 2 januari 2007.
Uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005, LJN AU8983, volgt dat het hiervoor weergegeven standpunt van appellant door de Raad wordt onderschreven.
Het voorgaande betekent dat het beroep dat betrokkene geacht wordt te hebben ingesteld tegen het besluit van 2 januari 2007 ongegrond moet worden verklaard. Dat appellant inmiddels bij de berekening van de wettelijke rente een andere ingangsdatum zou hanteren, kan daaraan niet afdoen. Het totale bedrag aan wettelijke rente dat appellant aan betrokkene heeft toegekend is niet minder geworden.
De Raad ziet in een en ander wel aanleiding appellant te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten zijn begroot op € 322,-- in verband met verleende rechtsbijstand.
De Centrale Raad van Beroep;
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep dat betrokkene geacht wordt te hebben ingesteld tegen het besluit van 2 januari 2007 ongegrond.
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van in totaal
€ 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007.