ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9881
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling privaatrechtelijke dienstbetrekking voor WW-uitkering afgewezen
Appellant stelde dat hij als voormalig werknemer van de N.V. recht had op een WW-uitkering en dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De rechtbank Breda oordeelde dat appellant geen werknemer was in de zin van de WW, omdat geen gezagsverhouding was vastgesteld. In hoger beroep betoogde appellant dat loonstroken en premiebetalingen dit wel zouden aantonen en dat er sprake was van sturing door de werkgever via internet.
De Raad overwoog dat appellant sinds 1 juli 2000 als zelfstandig handelaar in aandelen en opties opereerde, zonder instructies, controle of werkoverleg, en dat er geen aanwijzingen waren voor een gezagsverhouding met de N.V. Ook was de N.V. niet als werkgever geregistreerd bij het UWV. De Raad vond de motivering van de rechtbank adequaat en de belangenafweging evenredig.
Gelet op deze feiten concludeerde de Raad dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen privaatrechtelijke dienstbetrekking had en wijst de WW-uitkering af.