ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 23 december 2003
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te weigeren met ingang van 23 december 2003, omdat hij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het UWV oordeelde dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk als vertegenwoordiger voor 40 uur per week. Appellant betoogde dat hij slechts 30 uur per week kon werken.
De rechtbank oordeelde dat het UWV- besluit op een juiste medische grondslag berustte en dat er geen medische reden was voor een urenbeperking. Appellant had geen medische stukken overgelegd die twijfel konden zaaien over de juistheid van het UWV-oordeel.
De Centrale Raad van Beroep vond in het hoger beroep geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. De bezwaarverzekeringsarts stelde dat de discopathie van appellant in december 2003 nauwelijks klachten gaf die een operatie noodzakelijk maakten en dat de gezondheidstoestand pas ruim na die datum verslechterde. Medische gegevens van de huisarts dateren van na de datum in geschil en ondersteunen de stelling van appellant niet. De Raad kende geen beslissende betekenis toe aan de eigen opvatting van appellant zonder medische onderbouwing.
Gelet op artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kon het bestreden besluit in rechte standhouden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering per 23 december 2003 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.