ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluit tot intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medisch bewijs arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering per 15 maart 2002 in te trekken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. Na eerdere procedures bevestigde de rechtbank het besluit en verklaarde het beroep ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij op medische, met name psychische gronden volledig arbeidsongeschikt was en dat het UWV onvoldoende medisch onderzoek had verricht, met name door geen contact te zoeken met de GGZ of de psychiater in Turkije die hem behandelde.
De Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldig nader medisch onderzoek had verricht door informatie op te vragen bij de huisarts die appellant sinds 2001 behandelde. De huisarts verklaarde dat er op de datum in geding niets bekend was over psychische klachten die tot arbeidsongeschiktheid leidden. Verder was niet gebleken dat appellant op die datum elders onder behandeling was of dat er medische stukken bestonden die dit zouden ondersteunen. De verwijzing naar de GGZ vond pas na de datum in geding plaats en de diagnose sociale fobie met obsessieve trekken was niet relevant voor die datum.
De Raad stelde dat het niet op de weg van het UWV lag om contact op te nemen met de psychiater in Turkije, maar op appellant om bewijs aan te leveren. Omdat appellant dit niet had gedaan, faalde het hoger beroep en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. Er was geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van voldoende medisch bewijs voor arbeidsongeschiktheid op de datum in geding.