ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding beroepstermijn afgewezen
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de gestelde beroepstermijn van zes weken was ingediend. Appellante deed verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en voerde aan dat zij geen rekening had gehouden met de paasdagen, dat zij haar beroepschrift wilde laten controleren en dat zij gehinderd werd door het genezingsproces na een val van de trap.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende waren om het verzuim van de beroepstermijn te verontschuldigen. De Raad wees erop dat appellante door de rechtbank was gewezen op de beroepstermijn en dat zij ter behoud van die termijn een voorlopig beroepschrift had kunnen indienen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard.
Het hoger beroep bleef niet-ontvankelijk en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt het belang van het strikt naleven van beroepstermijnen in bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn is ongegrond verklaard.