ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7461

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/2250 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding beroepstermijn afgewezen

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de gestelde beroepstermijn van zes weken was ingediend. Appellante deed verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en voerde aan dat zij geen rekening had gehouden met de paasdagen, dat zij haar beroepschrift wilde laten controleren en dat zij gehinderd werd door het genezingsproces na een val van de trap.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende waren om het verzuim van de beroepstermijn te verontschuldigen. De Raad wees erop dat appellante door de rechtbank was gewezen op de beroepstermijn en dat zij ter behoud van die termijn een voorlopig beroepschrift had kunnen indienen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard.

Het hoger beroep bleef niet-ontvankelijk en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt het belang van het strikt naleven van beroepstermijnen in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn is ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/2250 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2006, 05/479 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna Uwv).
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 8 augustus 2006 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen voornoemde uitspraak heeft appellante verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2006. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 8 augustus 2006 berust hierop, dat het beroepschrift niet binnen de daartoe in de uitspraak van de rechtbank gestelde termijn is ingediend.
In het verzetschrift en ter zitting heeft appellante wederom aangevoerd dat zij geen rekening heeft gehouden met de paasdagen en dat zij haar beroepschrift wilde laten controleren. Tevens heeft appellante aangevoerd dat zij gehinderd werd door het genezingsproces van haar verwondingen na een val van de trap.
De Raad is van oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht is geschied. In hetgeen door appellante is aangevoerd, is naar het oordeel van de Raad geen grond gelegen voor het oordeel dat haar ter zake van het verzuim redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. De Raad overweegt daartoe dat appellante door de rechtbank is gewezen op de beroepstermijn van zes weken. Appellante had ter sauvering van de beroepstermijn een voorlopig beroepschrift kunnen (laten) indienen.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
Abv