ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7039

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1704 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid eigen werk

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, waarin werd geoordeeld dat hij vanaf 1 januari 2004 geen recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet omdat hij niet ongeschikt was tot het verrichten van zijn eigen arbeid als operator.

De rechtbank baseerde haar oordeel op de medische bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige. Appellant heeft in beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die een ander oordeel zou rechtvaardigen.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Ook de arbeidskundige grief van appellant wordt verworpen, omdat de bezwaararbeidsdeskundige voldoende onderzoek heeft gedaan naar de zwaarte en het tempo van het werk.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

05/1704 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 februari 2005, 04/2738 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2006. Appellant is
-met kennisgeving- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
Voor een weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar rubriek I en II van de aangevallen uitspraak.
In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het Uwv terecht heeft besloten om aan appellant met ingang van 1 januari 2004 geen uitkering ingevolge de Ziektewet toe te kennen, omdat hij op en na die datum niet ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid als operator.
De rechtbank heeft die vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen en de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer en de bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt. Naar het oordeel van de rechtbank is door de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer voldoende acht geslagen op de informatie van de behandelend sector. Gelet op het voorgaande en het feit dat appellant in beroep geen medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op zijn gezondheidstoestand, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het advies van een medische deskundige in te winnen.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen aanleiding te oordelen dat appellant meer beperkt moet worden geacht dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. De Raad constateert daarbij dat appellant ook in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens heeft aangedragen die een ander licht werpen op zijn gezondheidstoestand ten tijde in geding. De Raad ziet dan ook geen aanleiding te voldoen aan het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen.
Ten aanzien van appellants arbeidskundige grief, waaraan de rechtbank volgens appellant ten onrechte aan voorbij is gegaan, merkt de Raad het volgende op. De bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt heeft naar aanleiding van appellants stelling, dat hij het werktempo niet kon bijhouden omdat zijn collega’s vroeg naar huis wilden en daardoor het werktempo navenant toenam, opnieuw bij de werkgever geïnformeerd naar het werk van appellant. De Raad verwijst in dit verband naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 23 november 2004. Daarin wordt opgemerkt dat de situatie waar appellant op doelt in het verleden heeft gespeeld. Sedert vijf jaar is volgens de productieleider, de heer Jongkind, sprake van vaste werktijden en wordt een gemiddeld werktempo aangehouden. De Raad is van oordeel dat voldoende aandacht is besteed aan de zwaarte en het tempo van het werk van appellant.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007.
(get.) Ch. van Voorst
(get.) J. Verrips