ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen WAO-uitkeringsweigering en herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als magazijnmedewerkster en fastfoodmedewerkster en werd op 6 mei 2002 arbeidsongeschikt wegens diverse klachten. Het Uwv weigerde aanvankelijk een WAO-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geschat. Na bezwaar werd dit besluit gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard door de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de functies die haar werden toegeschreven niet geschikt zijn vanwege haar klachten. Het Uwv wijzigde daarop het besluit en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 15 tot 25%. De Raad beoordeelde het gewijzigde besluit en vond de motivering van de arbeidsdeskundige helder en voldoende onderbouwd, waarbij appellante in staat werd geacht bepaalde functies te vervullen.
Appellante stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met haar nekklachten en dat haar klachten niet in de functionele mogelijkhedenlijst waren opgenomen. De Raad vond echter dat appellante deze stellingen niet met medische gegevens had onderbouwd. De medische stukken en het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts gaven geen aanleiding het standpunt van het Uwv te wijzigen.
De Raad verklaarde het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak niet-ontvankelijk en het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond; het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.