ECLI:NL:CRVB:2006:AZ6041
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen weigering WUV-uitkering wegens onvoldoende causaal verband
Appellant, geboren in 1929 in voormalig Nederlands-Indië, vroeg om erkenning als vervolgde en toekenning van een WUV-uitkering. Verweerster kende hem vergoedingen toe voor huishoudelijke hulp en vervoer, gebaseerd op het uitgangspunt dat hij in Indonesië woont. De aanvraag voor een periodieke uitkering werd afgewezen wegens het ontbreken van een verminderd functioneren door psychische klachten.
Appellant stelde dat hij niet in Indonesië woont en dat zijn syndroom van Reiter verband houdt met zijn internering en dysenterie. De Raad volgde verweerster in het oordeel dat appellant zijn hoofdverblijf in Indonesië heeft, waar hij tien maanden per jaar verblijft en zijn maatschappelijke activiteiten ontplooit.
Medisch advies stelde dat het syndroom van Reiter, vastgesteld in 1983, niet het gevolg kon zijn van de kamptijd dysenterie, maar een erfelijke aandoening betreft. De Raad vond geen reden dit standpunt te betwijfelen en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de weigering van een WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard.