ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5918
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens voldoende belastbaarheid voor voorgehouden functies
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het besluit van het UWV bevestigde om hem geen WAO-uitkering toe te kennen per 10 januari 2003. De rechtbank had geoordeeld dat appellant, ondanks zijn beperkingen, in staat was om met de voorgehouden functies een inkomen te verdienen waarbij het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedroeg.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven. De Raad stelde vast dat appellant niet voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de voorgehouden functies niet kon vervullen. De bezwaararbeidsdeskundige had in zijn rapport van 16 maart 2004 per functie gemotiveerd waarom appellant geschikt werd geacht, ondanks zijn polsklachten en de daarmee gepaard gaande beperkingen in hand- en armgebruik.
De Raad vond de motivering voldoende en zag geen reden om het oordeel te wijzigen. De eerdere vernietiging van het besluit door de rechtbank wegens onvoldoende motivering was adequaat opgevolgd met nieuwe rapporten. Er waren geen gronden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 10 januari 2003 in staat was de voorgehouden functies te vervullen en daarom geen WAO-uitkering toekomt.