ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5918

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6347 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens voldoende belastbaarheid voor voorgehouden functies

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het besluit van het UWV bevestigde om hem geen WAO-uitkering toe te kennen per 10 januari 2003. De rechtbank had geoordeeld dat appellant, ondanks zijn beperkingen, in staat was om met de voorgehouden functies een inkomen te verdienen waarbij het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedroeg.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven. De Raad stelde vast dat appellant niet voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de voorgehouden functies niet kon vervullen. De bezwaararbeidsdeskundige had in zijn rapport van 16 maart 2004 per functie gemotiveerd waarom appellant geschikt werd geacht, ondanks zijn polsklachten en de daarmee gepaard gaande beperkingen in hand- en armgebruik.

De Raad vond de motivering voldoende en zag geen reden om het oordeel te wijzigen. De eerdere vernietiging van het besluit door de rechtbank wegens onvoldoende motivering was adequaat opgevolgd met nieuwe rapporten. Er waren geen gronden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 10 januari 2003 in staat was de voorgehouden functies te vervullen en daarom geen WAO-uitkering toekomt.

Uitspraak

04/6347 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 oktober 2004, 04/1682 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006, waar appellant met bericht van verhindering niet is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
"De rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 februari 2004 het besluit van 27 mei 2003 vernietigd, omdat zij van oordeel was dat dit besluit een deugdelijke motivering ontbeerde. Daartoe werd overwogen dat voor het verrichten van de geduide functies op diverse punten een bijzondere belasting in het gebruik van de handen gevergd wordt en dat een motivering van de verzekeringsarts dan wel de arbeidsdeskundige dat eiser ondanks deze bijzondere belasting in staat moet worden geacht de geduide functies te verrichten ontbrak.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts op 11 maart 2004 en de bezwaararbeidsdeskundige op 16 maart 2004 en 6 april 2004 rapport uitgebracht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 16 maart 2004 per geduide functie aangegeven op welke gronden hij de functie voor eiser geschikt acht.
Eiser heeft in beroep aangegeven dat weliswaar nu wel een motivering is gegeven, maar dat nog steeds de vraag blijft waarom aan iemand die polsklachten heeft en daarom de arm en hand minder goed kan gebruiken enkel functies worden geduid die met name bijzondere vereisten stellen aan hand- en armgebruik.
De rechtbank is van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 16 maart 2004 afdoende heeft gemotiveerd op welke gronden eiser is geschikt te achten voor de geduide functies. Niet is gebleken dat
daarbij de belasting van de functies is gerelativeerd. Eiser was dan ook per 10 januari 2003 in staat te achten de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten."
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het Uwv terecht appellant met ingang van 10 januari 2003 niet in aanmerking heeft gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zij heeft daartoe de juistheid onderschreven van het aan het bestreden besluit van 8 april 2004 ten grondslag liggende standpunt dat appellant, uitgaande van de ten aanzien van hem vastgestelde beperkingen, per 10 januari 2003, in staat was met de hem voorgehouden functies een zodanig inkomen te verdienen dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt.
De Raad overweegt als volgt.
Het geding beperkt zich tot de vraag of genoegzaam aannemelijk is dat appellant per 10 januari 2003 in staat was de voorgehouden functies te vervullen.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en deelt het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen in hoger beroep van de zijde van appellant is aangevoerd vormt in essentie een herhaling van het gestelde in eerste aanleg en heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
De uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.