ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5401
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Weigering gedeeltelijke WAZ-uitkering en beoordeling nadere besluit in hoger beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de weigering van het UWV om een WAZ-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%. Na een nadere beoordeling heeft het UWV op 2 augustus 2006 een besluit genomen waarin appellant alsnog gedeeltelijk in aanmerking werd gebracht voor een WAZ-uitkering van 25 tot 35%.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang meer had bij het beroep tegen de eerdere uitspraak, nu het nadere besluit in de procedure was betrokken. De Raad heeft het bestreden besluit inhoudelijk getoetst en geen aanleiding gevonden om de vastgestelde beperkingen te betwijfelen.
De medische gegevens, waaronder een brief van de reumatoloog en een reactie van de bezwaarverzekeringsarts, ondersteunen niet de stelling van appellant dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Wel erkent de Raad dat appellant forse beperkingen heeft die hem belemmeren in zijn oorspronkelijke zware werk, maar dat hij wel in staat is lichtere functies te vervullen.
De Raad oordeelt dat het besluit van het UWV in stand kan blijven en dat appellant recht heeft op vergoeding van het betaalde griffierecht. Er is geen grond voor vergoeding van overige proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het nadere besluit tot gedeeltelijke WAZ-uitkering wordt bevestigd.