ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5388
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering en arbeidsgehandicaptenstatus op grond van Wet Rea
Appellant, die wegens psychische klachten sinds 4 september 2001 niet meer kon werken, verzocht om een WAO-uitkering en erkenning als arbeidsgehandicapte op grond van de Wet Rea. Het UWV wees dit verzoek af omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geschat en appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor automatische arbeidsgehandicaptenstatus.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de medische adviezen van het UWV zorgvuldig en onderbouwd waren. De rechtbank vond geen reden om een onafhankelijk deskundige te benoemen en oordeelde dat appellant niet op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet Rea als arbeidsgehandicapte kon worden beschouwd.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze bevindingen en voegde toe dat appellant in hoger beroep geen nieuwe objectief-medische gegevens had overgelegd die een andere beoordeling zouden rechtvaardigen. De Raad verwierp het verzoek tot benoeming van een onafhankelijk medisch deskundige en bevestigde dat de beperkingen van appellant juist waren ingeschat.
Daarmee werd het bestreden besluit van het UWV gehandhaafd en werd appellant geen WAO-uitkering toegekend. Tevens werd het besluit dat appellant als arbeidsgehandicapte wordt aangemerkt op grond van artikel 2, derde lid, van de Wet Rea niet in rechte bestreden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van een WAO-uitkering en de status van arbeidsgehandicapte op grond van de Wet Rea.