ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5148
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid en medische beperkingen
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering per 22 juli 2002, omdat hij volgens hem door allergische astma-aanvallen meer medisch beperkt was dan het UWV aannam. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellant in staat was tot het voltijds verrichten van gangbaar werk. In hoger beroep heeft appellant aanvullende medische verklaringen overgelegd, waaronder ziekenhuisopnames in 2002 en 2003, maar deze betroffen geen relevante beperkingen op het gebied van arbeidsongeschiktheid.
Het UWV heeft op basis van deze gegevens de intrekkingsdatum van de uitkering aangepast naar 25 juli 2002, maar de intrekking zelf gehandhaafd. De Raad oordeelde dat er geen aanleiding was voor het inschakelen van een onafhankelijke medisch specialist, omdat geen twijfel bestond over de medische beoordeling. De functionele mogelijkhedenlijst uit maart 2002 en een toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige bevestigden dat appellant de voorgehouden functies kon vervullen.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en het beroep tegen het nadere besluit ongegrond. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering per 25 juli 2002 blijft gehandhaafd.