ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5008
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.Th. Wolleswinkel
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beëindiging aanvulling op WAO-uitkering bij bereiken 65 jaar zonder toezegging voortzetting
Appellant, voormalig penitentiair inrichtingswerker, werd arbeidsongeschikt na een gijzeling en ernstige bedreiging en kreeg een invaliditeitspensioen met een aanvullende uitkering wegens dienstongeval. De minister beëindigde deze aanvulling per 5 januari 2001, toen appellant 65 jaar werd, en vorderde teveel betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hem was toegezegd dat de aanvulling levenslang zou worden uitgekeerd. De Raad hoorde als getuige het toenmalig hoofd Personeelszaken, die verklaarde dat hij geen toezegging heeft gedaan en daartoe ook niet bevoegd was. De Raad oordeelde dat de tekst van artikel 38 ARAR Pro duidelijk stelt dat de aanvulling eindigt bij het bereiken van 65 jaar.
De Raad concludeerde dat er geen rechtsgeldige toezegging of gerechtvaardigde verwachting bestond die de beëindiging van de aanvulling zou verhinderen. Ook de financiële situatie van appellant en het tijdelijk doorbetalen na 5 januari 2001 konden dit niet veranderen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvulling op de WAO-uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van 65 jaar zonder recht op voortzetting.