ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4916
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering en boete wegens meerinkomen zonder toepassing hardheidsclausule
Appellante was in 2001 meerinkomen verschuldigd aan de IB-groep, vastgesteld op €1.675,07, bestaande uit het meerinkomen en een boete. De IB-groep weigerde de vordering kwijt te schelden met toepassing van de hardheidsclausule. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar ernstige psychische situatie haar belemmerde om inzicht te hebben in haar financiële situatie en de bijverdiengrens te overzien.
De Raad overwoog dat de wet alleen ruimte biedt voor toepassing van de hardheidsclausule indien het voor de studerende onmogelijk was om de bijverdiensten te staken of het studiefinancieringstijdvak in te korten. De medische verklaringen gaven onvoldoende aanleiding om te concluderen dat appellante in zo'n onmogelijkheid verkeerde. Bovendien had appellante in 2001 diverse handelingen kunnen verrichten richting de IB-groep, zoals het melden van het staken van de studie en het opnieuw aanvragen van studiefinanciering.
De Raad concludeerde dat appellante redelijkerwijs de gevolgen van haar handelingen had kunnen overzien en dat er geen sprake was van onbillijkheid van overwegende aard die toepassing van de hardheidsclausule zou rechtvaardigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en boete wegens meerinkomen zonder toepassing van de hardheidsclausule.