ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4910

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3795 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin het beroep tegen de weigering van een WAO-uitkering werd afgewezen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had eerder besloten geen uitkering toe te kennen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedroeg.

Appellant stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld. Ter onderbouwing bracht hij meerdere medische en arbeidskundige rapporten in, waaronder van Instituut Psychosofia en diverse specialisten. De Raad heeft deze stukken beoordeeld en geen aanleiding gevonden om het medisch onderzoek als ondeugdelijk te beschouwen.

De Raad heeft de niet-medische stukken en stukken die niet betrekking hadden op de relevante datum buiten beschouwing gelaten. Ook de arbeidskundige beoordeling was naar het oordeel van de Raad deugdelijk. Er zijn voldoende passende functies binnen de belastbaarheid van appellant beschikbaar, waardoor de vaststelling van minder dan 25% arbeidsongeschiktheid terecht is.

Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt en het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd.

Uitspraak

04/3795 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2004, 03/996 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 oktober 2006. Appellant was in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 10 oktober 2001 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen toe te kennen omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 25% bedroeg.
Bij besluit van 13 maart 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 oktober 2001 ongegrond verklaard.
Het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Namens appellant is in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat de verzekeringsarts het onderzoek naar de beperkingen van appellant niet goed heeft verricht en dat appellant meer beperkingen heeft dan is aangenomen. Appellant heeft in verschillende stadia van de procedure stukken ingebracht, waaronder rapporten van Instituut Psychosofia, Centrum voor spirituele geneeswijze en spirituele dans (hierna: IP) van 8 november 2001, 31 oktober 2002, 28 oktober 2003 en 5 oktober 2006, een ongedateerd evaluatieverslag van C. van der Wal, brieven van fysiotherapeut R. van Campenhout van 12 december 2000 en 20 juli 2002, rapporten van arbeidsdeskundige G.J. van Assen van 15 juli 2002 en 3 februari 2004, rapporten van orthopedisch chirurg O. Schreuder van 30 januari 2003 en 18 januari 2004 en gegevens van appellants huisarts van 28 maart 2002 en 20 mei 2003. Naar de mening van appellant blijkt uit deze stukken genoegzaam dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest.
Evenals de rechtbank, zoals zij in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, heeft ook de Raad geen aanleiding gezien om de medische grondslag van het bestreden besluit onzorgvuldig te achten.
Voor wat betreft de rapporten van IP volstaat de Raad met te verwijzen naar zijn vaste jurisprudentie hierover. Voorts overweegt de Raad dat de overige van de zijde van appellant overgelegde stukken evenmin tot een ander oordeel leiden. De Raad heeft de stukken die niet afkomstig zijn van een medicus, dan wel geen betrekking op de hier in geding zijnde datum van 9 september 2001, buiten beschouwing gelaten. In de overige stukken heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden die het standpunt van appellant dat het medisch onderzoek ondeugdelijk is geweest en dat de belastbaarheid niet juist is vastgesteld, rechtvaardigen.
Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft naar het oordeel van de Raad geen gebreken. Er zijn aan appellant voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen voorgehouden die vallen binnen zijn belastbaarheid en die de conclusie rechtvaardigen dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht en op goede gronden is vastgesteld op minder dan 25%.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 december 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
MK