ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4879
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij intrekking bijstandsuitkering wegens niet opeisen legitieme portie
Verzoekster ontving een bijstandsuitkering en woonde als huurster in de woning van haar overleden vader. In het testament was zij uitgesloten als erfgenaam, en haar broers waren erfgenaam. Het College legde haar de verplichting op om haar legitieme deel op te eisen, wat zij niet binnen de gestelde termijn deed. Hierdoor werd haar bijstandsuitkering opgeschort en later ingetrokken.
Verzoekster betoogde dat zij haar legitieme deel niet in geld kon opeisen, maar als vruchtgebruik van de woning moest worden beschouwd, en dat zij daardoor niet aan de verplichting kon voldoen zonder haar woonsituatie te verliezen. Ook stelde zij dat zij in de veronderstelling verkeerde dat het bezwaar de verplichting opschortte.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het College terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de bijstand op te schorten en in te trekken vanwege het niet nakomen van de medewerkingsverplichting. De situatie van verzoekster rechtvaardigt geen afwijking van deze regeling. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de intrekking van de bijstandsuitkering blijft gehandhaafd.