ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4494

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5274 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 AKWArt. 26 KB 746Art. 27 KB 746Art. 8:75 AwbAlgemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering kinderbijslag wegens niet-verzekering Algemene Kinderbijslagwet

Appellant, woonachtig in Marokko, vroeg kinderbijslag aan voor zijn kinderen, maar de Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat appellant niet verzekerd was onder de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De afwijzing was gebaseerd op artikel 6 AKW Pro en artikelen 26 en 27 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746).

Appellant stelde dat hij wel verzekerd was omdat hij een WAO-uitkering ontving. De rechtbank oordeelde dat de hoogte van deze uitkering minder dan 35% van het wettelijk minimumloon bedroeg, waardoor hij geen verzekering kon ontlenen aan de genoemde bepalingen. Tevens was niet gebleken dat appellant recht had op kinderbijslag op grond van het Algemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen Nederland en Marokko.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn grieven, maar de Raad volgde de rechtbank en vond geen nieuwe feiten of argumenten die tot een ander oordeel konden leiden. De Raad bevestigde daarom het eerdere besluit en zag geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.

De uitspraak werd gedaan door rechter H.J. Simon, met griffier M.F. van Moorst, en is openbaar uitgesproken op 8 december 2006. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; weigering kinderbijslag bevestigd wegens ontbreken verzekering onder AKW.

Uitspraak

05/5274 AKW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2005, 04/868 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 8 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2006. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van de Berg.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, die woonachtig is in Marokko, heeft bij schrijven gedateerd 26 februari 2003 kinderbijslag aangevraagd ten behoeve van zijn kinderen Mohamed, Jousif en Halima. Bij besluit op bezwaar van 28 januari 2004 heeft de Svb gehandhaafd zijn besluit van 13 mei 2003, waarbij de aanvraag om kinderbijslag met ingang van het eerste kwartaal van 2002 is afgewezen. Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat appellant niet verzekerd is voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Aan de afwijzing liggen artikel 6 van Pro de AKW en de artikelen 26 en 27 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) ten grondslag.
Door appellant is aangevoerd dat hij wel verzekerd is, omdat hij een uitkering geniet ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe als volgt overwogen (waarbij appellant als eiser en de Svb als verweerder is aangemerkt):
“Op grond van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, van KB 746 waren personen, die buiten Nederland zijn gaan wonen en op de dag van vertrek recht hadden op een WAO-uitkering, verzekerd ingevolge de volksverzekeringen, indien de hoogte van voornoemde uitkering tenminste 35% van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag bedroeg.
Uit de informatie van het UWV-Gak blijkt dat voor 1 januari 2000 de uitkering van eiser ongeveer € 150,- bruto per maand bedroeg. Dit betekent dat de hoogte van eisers uitkering minder dan 35% van het destijds geldende wettelijk minimumloon bedraagt, zodat eiser geen verzekering kan ontlenen aan artikel 27 juncto Pro artikel 26 van Pro KB 746.
Gesteld noch gebleken is voorts dat eiser recht kan doen gelden op kinderbijslag ingevolge het Algemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko van 14 februari 1972.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder terecht heeft beslist dat eiser met ingang van het eerste kwartaal van 2002 geen recht heeft op kinderbijslag.”
In hoger beroep heeft appellant zijn eerder aangevoerde grieven in essentie herhaald.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde liggende overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met appellants stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 december 2006.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M.F. van Moorst.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.