ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4446
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling WW-dagloon op basis van laatstverdiend loon bij voormalige werkgever
Appellant was sinds 1979 werkzaam als kok bij de Stichting OVO en viel in 1990 wegens ziekte uit. Na een periode van WAO-uitkering en tijdelijk parttime werk bij een ziekenhuis, werd zijn WAO-uitkering ingetrokken en kreeg hij een WW-uitkering toegekend, berekend op basis van een dagloon van € 91,75.
Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van het WW-dagloon, stellende dat dit gebaseerd moest worden op het actuele loon van een zelfstandig werkend fulltime kok volgens de CAO Horeca. Het Uwv en de rechtbank wezen dit bezwaar af, stellende dat het dagloon moest worden gebaseerd op het loon dat appellant laatstelijk verdiende bij de Stichting OVO.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het Uwv terecht is uitgegaan van het loon bij de Stichting OVO, omdat het beroep van appellant als kok niet was veranderd en de tijdelijke parttime werkzaamheden niet leidden tot een wijziging in de arbeidsongeschiktheid. Het dervingsbeginsel vereist dat het loon wordt vastgesteld op het laatstverdiende loon voor arbeidsongeschiktheid of werkloosheid, inclusief dezelfde looncomponenten.
De Raad ziet geen reden om het hoger beroep van appellant toe te wijzen en bevestigt de aangevallen uitspraak. Tevens ziet de Raad geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het WW-dagloon terecht is vastgesteld op het laatstverdiende loon bij de voormalige werkgever.