ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4072
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) startte een opsporingsonderzoek naar aanleiding van informatie over een vermeende gezamenlijke huishouding met haar partner sinds juni 1997. Op basis van verklaringen en onderzoek concludeerde de Svb dat sprake was van samenwoning en trok zij de uitkering met ingang van 1 juli 1997 in.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat niet was gebleken dat zij en haar partner hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning vanwege verzorging van een hulpbehoevende. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de situatie anders was, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank.
De Raad oordeelde dat appellante en haar partner hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en zorg voor elkaar droegen, ondanks het aanhouden van aparte adressen en gescheiden financiën. De aanvankelijke verklaringen van appellante en haar partner werden als betrouwbaar beschouwd, ook al was later teruggekomen op deze verklaringen zonder voldoende onderbouwing.
Omdat appellante de gezamenlijke huishouding niet had gemeld, werd zij geacht de inlichtingenplicht te hebben geschonden, wat rechtvaardigde dat de Svb de uitkering introk met ingang van 1 juli 1997. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.