ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4064

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-324 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen terugvordering bijstandskosten te laat ingediend, niet-ontvankelijk verklaard

Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam waarin bijstandskosten over meerdere jaren werden teruggevorderd. Het bezwaarschrift werd echter pas na de wettelijke termijn van zes weken ingediend. Het College verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond, maar stelde later het verzet tegen deze uitspraak alsnog gegrond.

In hoger beroep betoogde appellante dat vertragingen bij de postbezorging haar tijdige ontvangst van het besluit hadden belemmerd, waardoor de termijn niet redelijkerwijs kon worden gehaald. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij het besluit zo laat had ontvangen dat zij niet in verzuim kon zijn. Hierdoor bleef de niet-ontvankelijkverklaring terecht gehandhaafd.

De Raad corrigeerde een kennelijke verschrijving in de eerdere uitspraak zonder dat appellante daardoor in haar rechtspositie werd geschaad. De aangevallen uitspraak werd bevestigd met verbetering van gronden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het bezwaarschrift is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

06/324 NABW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2005, 04/3796
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
(hierna: College)
Datum uitspraak: 30 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 19 oktober 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 1 december 2003 heeft het College de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 augustus 2001 tot en met 31 december 2001 en de periode van
1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 van appellante teruggevorderd.
Bij brief van 27 januari 2004 heeft appellante tegen het besluit van 1 december 2003 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 8 december 2004 heeft het College het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift was overschreden en dat er geen aanleiding was om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Bij uitspraak van de rechtbank van 21 april 2005 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep tegen het besluit van 8 december 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de rechtbank van 7 september 2005 is het verzet gegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
8 december 2004 ongegrond verklaard waarmee de uitspraak van 21 april 2005 is vervallen.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Allereerst stelt de Raad vast dat in het voorliggende geval niet in geschil is dat het besluit van 1 december 2000 aan het adres van appellante is verzonden en dat appellante evenmin heeft betwist dat zij dat besluit heeft ontvangen. Dit brengt mee dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit van 1 december 2003 is aangevangen op 2 december 2003 en eindigde op 12 januari 2004. Derhalve stelt ook de Raad vast dat het College terecht heeft geconcludeerd dat het bezwaarschrift van
27 januari 2004 tegen het besluit van 1 december 2003 te laat is ingediend.
Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Appellante stelt dat de achterstanden en vertragingen bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid en/of TPG-Post in de drukke decembermaand waarschijnlijk ertoe hebben geleid dat zij pas op 30 december 2003 het besluit van 1 december 2003 heeft ontvangen. De Raad is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij het besluit op een zodanig tijdstip heeft ontvangen dat zij redelijkerwijs niet binnen de beroepstermijn een (voorlopig) beroepschrift had kunnen indienen. De Raad ziet derhalve geen reden voor het oordeel dat appellante niet in verzuim is geweest.
Het College heeft het bezwaar van appellante derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Met betrekking tot appellantes stelling, dat in de aangevallen uitspraak ten onrechte is overwogen dat appellantes verzet tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 april 2005 ongegrond is verklaard, overweegt de Raad dat sprake is van een kennelijke verschrijving waardoor appellante niet in haar rechtspositie is geschaad.
Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd, met verbetering van gronden.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Pijper.
BKH 221106