ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3945
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na bezwaar en hoger beroep
Appellant, voormalig kwekerijmedewerker, ontving sinds 1991 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een vijfdejaars herbeoordeling in 2001 stelde een verzekeringsarts een belastbaarheidspatroon vast en berekende een arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit op 38,9%, waarop het Uwv de uitkering herzag naar 35-45% arbeidsongeschiktheid.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zijn beperkingen werden onderschat en de geselecteerde functies te belastend waren. In bezwaar werd appellant opnieuw onderzocht door bezwaarverzekeringsarts Egbers, die de beperkingen aanscherpte en een nieuw belastbaarheidspatroon opstelde. De arbeidsdeskundige berekende op basis van nieuwe functies een verlies aan verdiencapaciteit van 42,6%. Het Uwv verklaarde het bezwaar deels gegrond en herzag de uitkering per 14 maart 2003.
De rechtbank Assen verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Deze Raad oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en adequaat was, dat de geselecteerde functies geschikt waren en dat de overschrijdingen van functiebelasting voldoende waren toegelicht. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het Uwv.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid.