ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3655
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens te late aanvraag ondanks betwiste ontvangst brieven
Appellant ontving vanaf oktober 2002 een WW-uitkering en is vanaf mei 2003 weer aan het werk gegaan. Na een periode van werkloosheid van 14 juli tot 11 augustus 2003, veroorzaakt door de bouwvakvakantie, diende appellant pas op 19 november 2004 een aanvraag in voor WW-uitkering over die periode.
Appellant stelde dat hij eerder tijdig aanvragen had ingediend via brieven van 3 december 2003 aan het Uwv en 20 januari 2004 aan het CWI, maar het Uwv ontkende ontvangst en appellant kon de verzending niet bewijzen. De rechtbank vernietigde het bezwaar van appellant tegen de weigering, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellant de aanvraag te laat had ingediend en dat het risico van niet-ontvangst van de brieven bij appellant lag. De stelling dat onjuiste informatie van het CWI een bijzonder geval vormde om de termijn te verlengen, werd niet onderbouwd en verworpen.
De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WW-uitkering wegens te late aanvraag wordt bevestigd.