ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3633

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-39 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WUBO-uitkering wegens ontbreken van tot invaliditeit leidend oorlogsletsel

Appellant, geboren in 1937 in het voormalig Nederlands-Indië, vroeg in april 2005 een WUBO-uitkering aan op grond van psychische en lichamelijke klachten die hij toeschreef aan zijn oorlogservaringen tijdens de Bersiap-periode. Verweerster wees de aanvraag af omdat niet was voldaan aan de eis van blijvende invaliditeit door oorlogsgerelateerd letsel. Hoewel appellant psychische klachten had, werden deze niet toegeschreven aan de oorlog, maar aan fysieke problemen voortkomend uit een ernstig auto-ongeval in 1967.

Het bezwaar en beroep van appellant richtten zich tegen de afwijzing, waarbij hij stelde dat zijn psychische problemen onvoldoende waren onderzocht en dat hij zich tijdens zijn verblijf in Indonesië goed voelde ondanks lichamelijke klachten. De Raad oordeelde echter dat de medische adviezen, gebaseerd op uitgebreid onderzoek en rapportage, geen causaal verband toonden tussen de klachten en de oorlogservaringen.

De Raad vond het besluit van verweerster voldoende gemotiveerd en deugdelijk voorbereid. Er waren geen redenen om te twijfelen aan het standpunt dat er geen sprake was van tot invaliditeit leidend oorlogsletsel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WUBO-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

06/39 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 30 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen het door verweerster onder dagtekening 30 november 2005, kenmerk JZ/070/2005, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2006. Aldaar is appellant niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in 1937 te Magelang in het voormalige Nederlands-Indië, in april 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Deze aanvraag heeft appellant gebaseerd op psychische en lichamelijke klachten die het gevolg zouden zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië tijdens de zogenoemde Bersiap-periode.
Verweerster heeft de aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 16 augustus 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat appellant weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet - te weten zijn internering in het kamp De Bergenbuurt te Malang tijdens de Bersiap-periode - maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel ten gevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit. Hierbij is in aanmerking genomen dat bij appellant wel sprake is van psychische klachten, bestaande uit een depressieve stemmingsstoornis, maar dat deze niet gerelateerd kunnen worden aan de oorlogservaringen. Naar het oordeel van verweerster komen appellants psychische klachten voort uit zijn locomotoire moeilijk-heden en matige algemene fysieke conditie. De locomotoire klachten zijn, aldus verweerster, niet gerelateerd aan appellants oorlogservaringen, maar komen duidelijk voort uit het auto-ongeval in 1967.
In bezwaar en beroep heeft appellant zich gekeerd tegen verweersters opvatting dat er geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch of lichamelijk letsel. Appellant merkt in dit verband op dat er bij het medisch onderzoek niet gesproken is over zijn psychische problemen die zijn leven zijn gaan beïnvloeden. Voorts brengt hij naar voren dat hij zich gedurende zijn verblijf van zes maanden in Indonesië uitstekend heeft gevoeld ondanks zijn lichamelijke klachten.
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
De zienswijze van verweerster dat bij appellant geen sprake is van tot invalidering in de zin van de Wet leidend psychisch en/of lichamelijk letsel, is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke berusten op een rapport van onderzoek van appellant op 1 augustus 2005 door de arts
J.H. Husken en op van de zogenoemde behandelende sector ontvangen informatie. In dit rapport wordt uitvoerig aandacht besteed aan de psychische klachten van appellant. Uit de beschrijving van die klachten kan het bestaan van een causaal verband daarvan met de geverifieerde calamiteiten niet worden afgeleid. Er is bij appellant sprake van een depressieve stemmingsstoornis (dysthymie) als gevolg van de locomotoire moeilijkheden en de matige algemene fysieke conditie. Zijn klachten komen voort uit een zeer ernstig auto-ongeval in 1967.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.
Op grond van de voorhanden medische gegevens is de Raad niet kunnen blijken van enig aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het voet-spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend aan de oorlog gerelateerd psychisch en/of lichamelijk letsel.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en C.G. Kasdorp en W.D.M. van Diepenbeek als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2006.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) M.R.S. Bacon.