ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten
Appellant was werkzaam als timmerman bij een werkgever op basis van tijdelijke contracten die in december 2004 afliepen. Hij vroeg een WW-uitkering aan per 2 december 2004 en gaf aan dat hij niet had gesolliciteerd omdat hij pas kort voor het einde van het dienstverband wist dat hij werkloos zou worden.
Het UWV stelde vast dat appellant voor de eerste werkloosheidsdag geen sollicitaties had verricht, ondanks dat hij wist dat zijn contract zou eindigen. Daarom werd een maatregel opgelegd waardoor zijn WW-uitkering gedurende 16 weken werd verlaagd van 70% naar 50% van het dagloon. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd overwogen dat appellant zijn sollicitatieplicht niet was nagekomen. Zijn stelling dat hij niet was geïnformeerd over de sollicitatieplicht faalde omdat het zijn eigen verantwoordelijkheid was om zich hierover te informeren. Ook de argumenten over de winterperiode en latere sollicitaties werden verworpen omdat hij vooraf geen enkele sollicitatie had gedaan.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat het UWV verplicht was de maatregel op te leggen op grond van de WW. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak van 27 januari 2006 van de rechtbank Leeuwarden werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: De maatregel van verlaging van de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten wordt bevestigd.