ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3074
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening WAO-uitkering wegens onjuiste maatmaninkomenberekening
Appellante maakte bezwaar tegen de herziening van haar WAO-uitkering waarbij haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op een lager percentage dan eerder toegekend. Het UWV had aanvankelijk een mate van 80-100% vastgesteld, die werd herzien naar 45-55%, en later naar 35-45% op basis van een aangepaste berekening van het maatmaninkomen.
De kern van het geschil betrof de vraag of het werkgeversdeel van de pensioenpremie bij de berekening van het maatmaninkomen moest worden betrokken. Het UWV heeft in hoger beroep een nadere berekening overgelegd waarin dit deel was meegenomen, waaruit bleek dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bleef. Deze berekening werd niet betwist door appellante.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd moest worden omdat het UWV pas in hoger beroep een juiste motivering had gegeven. Desondanks werden de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht.