ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2601
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde WAO-uitkering ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds juni 1997 een WAO-uitkering ontvangt wegens rug- en gewrichtsklachten, stelde dat zijn arbeidsongeschiktheid ernstiger was dan het UWV had vastgesteld. Het UWV handhaafde het besluit tot voortzetting van de uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55 tot 65%.
De rechtbank Breda oordeelde dat de verzekeringsartsen van het UWV voldoende zorgvuldig en volledig medisch onderzoek hadden verricht, waarbij alle relevante medische gegevens, inclusief die van de behandelend reumatoloog van appellant, waren betrokken. De rechtbank vond geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische conclusies en achtte appellant geschikt voor de passende functies die bij de schatting waren betrokken.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad stelt vast dat appellant zijn stelling dat zijn beperkingen ernstiger zijn niet met objectief-medische gegevens heeft onderbouwd. De Raad concludeert dat de arbeidsongeschiktheid terecht ongewijzigd is vastgesteld en dat appellant in staat was de betrokken functies te vervullen en daarmee een passend inkomen te verwerven.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering ongewijzigd blijft op basis van een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.