ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2470
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Onjuiste vaststelling grondslag periodieke uitkering bij vervroegde uittreding wegens invaliditeit
Appellante, erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, verzocht om een periodieke uitkering. Eerdere aanvragen werden geweigerd omdat de ziekten of gebreken niet in het vereiste verband met vervolging stonden. In bezwaar stelde zij dat haar invaliditeit reeds bestond bij haar vervroegde uittreding uit het arbeidsproces in augustus 2002, en dat de grondslag van haar uitkering daarom op haar toenmalige inkomen had moeten worden gebaseerd.
Verweerster baseerde haar besluit op een beleidsmatige beslissing wegens het ontbreken van objectieve medische gegevens uit die periode, zonder inhoudelijke medische beoordeling. De Raad oordeelt dat deze besluitvorming onvoldoende gefundeerd is, omdat een medische vraag niet zonder gerichte inhoudelijke advisering kan worden beantwoord.
De medische rapporten van Engelberg en Maoz tonen aan dat appellante vanaf 1988 een verslechterende psychische gesteldheid had, die in 2002 leidde tot onvermogen om te functioneren in het werk. De Raad acht aannemelijk dat de invaliditeit al bij werkbeëindiging aanwezig was, ongeacht de keuze voor vervroegde uittreding in plaats van ziekmelding.
Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en bepaalt dat verweerster een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerster wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de vastgestelde invaliditeit ten tijde van werkbeëindiging.