ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid bezwaar en proceskostenvergoeding in premiecorrectienota's
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het bezwaar van betrokkene tegen premiecorrectienota's over de jaren 2000 tot en met 2003 ontvankelijk verklaarde. Betrokkene had pro forma bezwaar aangetekend met een verzoek om uitstel voor het indienen van de gronden. Appellant verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van gronden en het niet tijdig herstellen van dit verzuim.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar voldoende gemotiveerd was, mede omdat appellant uit eerdere communicatie had kunnen afleiden op welke gronden het bezwaar berustte. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en wees appellant op een nieuw besluit met inachtneming van haar overwegingen. Tevens werd appellant veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
In hoger beroep stelde appellant dat de stukken per abuis naar betrokkene waren gezonden en dat het bezwaar geen gronden bevatte. De Raad stelde vast dat het bezwaar uitsluitend betrekking had op de correctienota's en dat het verzoek om uitstel niet adequaat was beantwoord door appellant. Hierdoor kon het besluit tot niet-ontvankelijkheid niet standhouden.
De Raad bevestigde de ontvankelijkheid van het bezwaar, maar oordeelde dat de rechtbank ten onrechte proceskostenvergoeding had toegekend omdat er geen sprake was van beroepsmatige rechtsbijstand door een derde. De Raad wees de proceskostenvergoeding af en bevestigde het griffierecht van €422,- voor appellant.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de premiecorrectienota's wordt ontvankelijk verklaard, maar de proceskostenvergoeding aan betrokkene wordt afgewezen.