ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2099
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ophoging WAO-uitkering ondanks latere hogere arbeidsongeschiktheidsclassificatie
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 11 april 2003 waarin werd bepaald dat zijn WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, ongewijzigd zou worden voortgezet vanaf 31 oktober 2002. Het bezwaar werd ongegrond verklaard bij besluit van 28 november 2003. Appellant stelde in hoger beroep dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn fysieke beperkingen en dat hij een hogere mate van arbeidsongeschiktheid had dan vastgesteld.
Ter onderbouwing zond appellant stukken aan, waaronder een besluit van 8 februari 2006 waarin het UWV vaststelde dat hij per 19 april 2003 volledig arbeidsongeschikt was en recht had op een uitkering in de hoogste klasse. Appellant concludeerde hieruit dat het eerdere onderzoek onzorgvuldig was geweest.
De Raad oordeelde echter dat de latere vaststelling van volledige arbeidsongeschiktheid per 19 april 2003 niet impliceert dat het standpunt van het UWV ten aanzien van de weigering tot ophoging per 31 oktober 2002 onjuist of onzorgvuldig was. De rechtbank had de grieven van appellant afdoende gemotiveerd verworpen en de Raad zag geen reden om hiervan af te wijken. Het hoger beroep werd dan ook ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot ophoging van de WAO-uitkering per 31 oktober 2002 wordt bevestigd.