ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2044
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- K. Zeilemaker
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens plichtsverzuim na verlate terugkeer uit vakantie
Appellant was werkzaam als wachtmeester arbeid bij de Penitentiaire Inrichtingen Midden Holland en kreeg vakantieverlof van 30 september tot 10 oktober 2002. Hij vertrok naar Suriname en meldde zich pas op 8 oktober 2002 ziek vanuit Suriname, terwijl hij pas op 11 november 2002 terugkeerde naar Nederland. Na terugkeer meldde hij zich niet direct bij zijn werkgever en hield zich niet aan de ziekteverzuimvoorschriften.
De minister legde appellant op 27 augustus 2003 onvoorwaardelijk ontslag op wegens plichtsverzuim. Het bezwaar van appellant werd bij besluit van 29 april 2004 ongegrond verklaard. In hoger beroep betoogde appellant dat het ontslag te zwaar was en dat vanwege het tijdsverloop geen bestraffing meer mocht plaatsvinden.
De Raad oordeelde dat appellant bewust het risico nam niet tijdig terug te keren en onvoldoende bewijs leverde voor zijn verlate terugkeer. Ook werd vastgesteld dat appellant zich niet als een goed ambtenaar gedroeg en dat het plichtsverzuim hem kan worden toegerekend. Het tijdsverloop was niet onaanvaardbaar lang en deels aan appellant zelf te wijten.
De Raad vond het ontslag niet onevenredig gelet op de aard en omvang van het plichtsverzuim en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het onvoorwaardelijk ontslag van appellant wegens plichtsverzuim wordt bevestigd.