ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling WW-dagloon bij hervatting arbeid na WAO-uitkering
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarbij het WW-dagloon is vastgesteld met toepassing van artikel 14 van Pro de Dagloonregels IWS. Hij stelde dat hij door de toepassing van deze regeling werd benadeeld, omdat hij door het hervatten van arbeid op arbeidstherapeutische basis slechter af zou zijn dan zonder die hervatting.
De Raad overwoog dat de Dagloonregels IWS bedoeld zijn om situaties te voorkomen waarin hervatting van arbeid leidt tot verlaging van het dagloon. Artikel 14, vijfde lid, bepaalt dat artikel 14, eerste lid, niet wordt toegepast indien bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening is gehouden met de arbeid die na het intreden van arbeidsongeschiktheid is verricht.
In deze zaak was echter niet gebleken dat bij de vaststelling van de WAO-uitkering rekening was gehouden met de arbeid die appellant had verricht. Hierdoor kon de WW-uitkering niet worden gebaseerd op een hoger dagloon dan vastgesteld. Ook de garantieregeling van artikel 17 was Pro niet van toepassing omdat de werkloosheid buiten de 36-maandentermijn viel en appellant nog geen 57,5 jaar was bij aanvang van de werkloosheid.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Middelburg. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het WW-dagloon terecht is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.